Om u de beste gebruikservaring te kunnen bieden, gebruiken wij cookies. Voor meer inhoudelijke informatie en het onderscheid die wij hier in maken, verwijzen wij u door naar ons Cookie beleid

Accepteer cookies

Geschiedenis

Hoe De Hengelaar 100 jaar werd

Laat ik eerst maar wat informatie over mezelf geven. In 1952 begon ik als jeugdlid mee te doen aan de wedstrijden voor de jeugd aan de Tuingracht. Maar ik voelde me pas echt lid van De Hengelaar toen ik in 1958 15 jaar werd en eindelijk mee mocht doen met de baarscompetitie bij senioren.
Ik ging vaak naar de baarswedstrijden omdat ik voor veel oudere vissers, zoals Jan Rijkes, Meester van Houwelingen, Familie Timmer, Correman Alles, Nic Zomerdijk en barbier Visser, wormen zocht. Ook werden toen de oudere jeugdleden gevraagd als controleur bij de baarswedstrijden en dat heb ik vele wedstrijden gedaan. Ik vond het een spannende visserij en leerde veel van de oude rotten in het baarspeutervak.
Eind 70er jaren werd mijn vader, die ik heb leren baarsvissen, penningmeester en op een keer was ik op visite op zaterdag en zag ik dat er een doos met oud papier, waaronder oud papierwerk van de visclub, klaar stond voor Arti. Het bestuur had besloten dat deze oude spullen weg mochten en ik ben er in gaan snuffelen. Kasboeken, nota´s van gekochte prijzen en ledenlijsten en ik vond het zonde om ze weg te doen en mocht ze meenemen naar Bovenkarspel. Jarenlang lagen ze ongeopend in een kast maar toen ik lid werd van de Oudheidkundige Vereniging ‘Het Schermereiland’ ben ik er in gaan snuffelen. Zo kreeg ik meer inzicht in het reilen en zeilen van deze nu 100 jarige visclub vanaf 1931 tot begin 70er jaren van de vorige eeuw. Daarover heb ik een aantal jaren geleden een artikel in De Kroniek geschreven en misschien is dat wel de aanzet geweest om te vragen of ik vandaag iets vertellen wil over het wel en wee van de club waar ik me nog altijd heel goed thuis vind. Inmiddels heb ik ook 3 met de hand geschreven boeken vol notulen van 1916 tot 1991 ter inzage gekregen en ik neem aan dat ik ook nog wel mag snuffelen in de notulen van de laatste 20 jaar. Ik zal de meest interessante en belangrijke zaken op papier zetten en als alles gaat zoals ik van plan ben, krijgt de club op deze manier een mini-boekwerk met de beknopte geschiedenis die men kan bewaren voor het 200 jarig jubileum.
Beelden uit een ver verleden
Op 16 februari 1916 is er een jaarvergadering in de zaal van de Hr. K. Heuvel en naast het bestuur zijn er 11 leden aanwezig. De notulen van deze vergadering vormen de eerste schriftelijke informatie over ‘De Hengelaar’. Wat er in de voorgaande 5 jaren gebeurd is met de club en hoe de oprichting tot stand gekomen is, kan ik helaas niet achterhalen. Wel weet ik dat de Hr. Jan Schouten

in 1911 de eerste voorzitter was en hij zou deze functie tot 1955, 44 jaar dus, blijven bekleden.
De agenda voor deze vergadering bevat dezelfde punten die je ook nu nog steeds tegenkomt: notulen van de vorige vergadering, ingekomen stukken, bestuursverkiezing, waar en wanneer wordt de volgende viswedstrijd gehouden en hoe is de puntentelling? Uit deze allereerste notulen haal ik wel het gegeven dat De Hengelaar lid was van de Algemene Hengelaarsbond, AHB, en ik ben blij dat men ook nu weer aangesloten is bij Sportvisserij Nederland.
De contributie bedroeg toen twintig cent per maand en dit bedrag werd iedere maand door de penningmeester/bode opgehaald. Voor dit werk ontving de bode, in 1916 de Hr. C. Bobbeldijk, een bodeloon van 10 % van de opgehaalde contributie. Als aas voor de baarswedstrijden worden worm en krabben genoemd en onder krabben moeten we dan de steurgarnaal verstaan. In 1916 zijn er 4 ledenvergaderingen en opvallend is dat secretaris J. van Petten na zijn verkiezing in februari er in september al weer mee stopt en opgevolgd wordt door F. Rijkes die 3 stemmen meer kreeg dan P. Hoek.
In deze beginjaren was er nog geen vast wedstrijdrooster maar werd er met grote regelmaat een vergadering gehouden waarin zowel de datum, het soort wedstrijd, dus karper of baars, als de plek waar gevist ging worden, vastgesteld werden. Dat leidde soms tot heel lange discussies en vele stemmingen. Deze manier van viswedstrijden vaststellen zou nog vele decennia duren en dat was ook het geval met de puntentelling, welke prijzen, de aanvangstijd en de hoogte van het inleggeld. Trouwens, in deze beginjaren kwam ook het punt van een eigen vaandel aan de orde en na lezing van alle notulen ben ik tot de conclusie gekomen dat er nooit een vaandel van De Hengelaar gekomen is. Het probleem dat ik heb met al deze notulen is dat ik ze allemaal zeer interessant vind en eigenlijk veel meer zaken zou willen noteren dan ik ga doen.
In 1917 wordt met algemene stemmen besloten uit de AHB te stappen maar men vermeldt niet waarom. Over hetzelfde jaar zijn ook de financiële gegevens bekend. De inkomsten bedragen Fl. 122,16 en de uitgaven Fl. 84,53 en aldus een batig saldo van Fl. 37,63. In 1918 is het inleggeld voor een wedstrijd 25 cent en wordt er 10 gulden per wedstrijd uit de kas gehaald voor prijzen. Deze prijzen moesten voor de helft hengelsportartikelen zijn en voor de andere helft uit huishoudelijke artikelen te bestaan. Besloten wordt ook om de bode een insigne te geven dat hij op zijn borst moet dragen als hij de contributie komt innen. De vergaderingen worden bij toerbeurt bij de diverse kasteleins gehouden en ik weet niet beter dan dat dit nog zo is. Alleen is het zo dat ik niet weet op welke locatie De weduwe Dil, het lokaal van de hr. C. Man en het café

van de gebroeders Timmer te vinden waren. Omdat er bij den Heer D. van Leeuwen, die tevens lid was, ook Beemster vermeld staat, weet ik dat dit het café aan de Klaterbuurt was. Regelmatig werd er gediscussieerd over het tijdstip van de prijsuitreiking. Van direct na de wedstrijd aan de waterkant tot vele uren later in het café. In 1919 staat er een wedstrijd gepland voor 1 juni maar vanwege het hoge gras vindt men het niet verstandig de boeren tegen de haren in te strijken. Op voorstel van (meester) van Houwelingen vist men nu vanuit schuitjes in de Oudelandsch polder. Of er die ochtend, men verzamelde om 04,30 uur, met het vrije aas iets gevangen heeft, vermelden de notulen niet.. Wel dat de Heer Polman verzocht de prijsuitreiking om precies 12 uur te doen maar dat men het daar niet mee eens was en het werd s-avonds 7 uur!!! Je was op die manier een hele zondag met de visclub in de weer.
In de notulen van de Algemene Vergadering van zondag 12 januari 1919 kom ik iets vreemds tegen. De voorzitter opent de vergadering met de herinnering van het 5 jarig bestaan van de vereniging en ik weet niet goed wat ik hiermee moet. Ik weet wel dat ik vele jaren later nog weer een andere oprichtingsdatum tegengekomen ben en misschien komt er later nog meer informatie over de juiste oprichtingsdatum boven water, het lijkt op vissen! De visclub vist in deze periode het meest op baars maar helaas worden de vangsten niet vermeld. Wel staat vast dat men niet vlak bij huis blijft maar stekken zoals de Knollendammervaart, de Ringvaart bij Driehuizen, het N-H Kanaal en de Beemsterringvaart vanaf molen de Knevelaer opzoekt. De penningmeester C. Kwadijk mag zelf de prijzen kopen en krijgt daarvoor een vergoeding van 1 gulden en voor de volgende wedstrijd zelfs Fl. 1,50.
De twintiger jaren onder de loep
Op 8 februari 1920 bezoeken 15 leden de eerste jaarvergadering van De Hengelaar in het nieuwe decennium. De penningmeester heeft een batig saldo van Fl. 31,46 in 1919 gerealiseerd en in dit jaar waren er 51 leden en 14 aspirant leden. Er zijn maar liefst 4 bestuursleden die aftredend en herkiesbaar zijn en deze heren J. Schouten, F. Rijkes, T. Hoek en W. Spaarman worden allen herkozen en nemen hun benoeming aan. Vervolgens discussieert de vergadering enkel en alleen over de kwaliteit van de prijzen, dat iemand zowel een goede prijs voor de meeste baarzen als de grootste baars mocht kiezen maar het toch niet goed vond dat het bestuur de prijzen zou vaststellen. Men wilde toch vooral zelf kunnen kiezen en deze constatering zou ik in vele vergaderingen steeds opnieuw tegenkomen. In de volgende vergadering van 22 juli wordt besloten de volgende zondag aan de Knollendammervaart te vissen. Om 04.00 uur verzamelen op de Dam, vissen van 5 tot 8 uur, aas worm of garnalen en “de prijsuitdeeling is des savonds om 8 uur in het lokaal van D. van

Leeuwen. Men mag niet pijlen voor er gevloten is.” Ja, taaltechnisch zitten er nog wel wat foutjes in de notulen en soms moest ik een moeilijk leesbaar woord soms eerst zelf uitspreken om er achter te komen wat men bedoelde. Ik zal daar later nog wel een paar mooie voorbeelden van geven.
In 1921 vragen de leden of het bestuur wil kijken of buitenlui die hier vissen wel de juiste vergunningen hebben. Het bestuur vindt dit een zaak voor de politie. Het punt contributieverhoging krijgt geen meerderheid en ook voelt men er weinig voor om geld voor pootvis beschikbaar te stellen. Er wordt in deze eerst jaren van de club zelden over contacten met beroepsvissers, visrechten en vergunningen gesproken, later wordt dit heel anders. Wel kom ik enkele keren het punt Hengelen Eilandspolder tegen met dan meteen daarna het voorstel van de voorzitter om geen Verzoekschrift in te dienen. Ik vermoed toch dat dit met vergunningen of pachten van het Rijper Viswater te doen had en hoop daar nog meer over te weten te komen. De ledenvergadering van 22-12-1921 wordt wegens geringe belangstelling afgelast. In de vergadering van 15-4-1922 kom ik de volgende zin tegen: “De Vries vraagt of hij hier met zijn hengel in De Rijp komen mag en de voorzitter zegt dat het wel goed zou wezen om een briefje van Wals te vragen.” Ik vermoed nu dat de Hr. Wals een beroepsvisser was die vergunningen uitgaf. Een van de visstekken uit 1922 was de Kikkersloot in de Koogerpolder en daar had ik nog nooit van gehoord. In 1923 wordt er 25 gulden beschikbaar gesteld voor “vischteelt” maar wat dat precies inhoudt, wordt verder niet verteld. Dat er destijds ook al sprake was van een generatiekloof blijkt uit het voorstel van penningmeester Kwadijk die voorstelt “om de afspiranten afdeeling op te heffen omdat het gewoonweg geen doen is met die heeren omtegaan.” In de volgende ledenvergadering staat dit voorstel op de agenda en het wordt met algemene stemmen verworpen
In de vergadering van 19 juni 1924 komt een voorstel aan de orde om de beroepsvissers 25 gulden steun te geven. De leden zijn niet akkoord en stellen een bedrag van 10 gulden voor en dat wordt aangenomen. Over geheel 1924 was er een batig saldo van Fl. 34,74 en was het inleggeld voor een viswedstrijd vastgesteld op 25 cent. Op 30 augustus 1925 is er een wedstrijd op het Delft met vrije aaskeuze op alle vissen behalve aal en spiering. De voorzitter en penningmeester stellen dat er teveel ondermaatse vissen door de leden worden meegenomen en dat dit een slechte zaak is. Een slechte zaak vindt de vergadering van 15 mei 1926 ook dat enkele leden hun contributie niet vlot betalen en de bode vaak voor niets aan de deur komt. Besloten wordt om die leden zo snel mogelijk te roeeren, zal wel royeren bedoeld worden. In de volgende vergadering wordt het voorstel om de beroepsvissers te steunen met 10 gulden uit de kas verworpen door de 10 aanwezige leden. In de

vergaderingen van 1926 tot en met 1929 wordt vooral het prijsvissen op karper als belangrijkste activiteit van de visclub behandeld. Men ging dan vooral met schuitjes de polder in om op de Gouw of het Delft te vissen. Ook komt een paar keer het punt contributieverhoging aan de orde maar de leden vinden het niet nodig en het zou nog vele jaren duren voor de 20 cent per maand omhoog ging. Nog even een mooi genotuleerd woord uit de vergadering van 27-8-1927: Voor de factuuren van Braam werd gekozen…. Bedoeld werd de vacature van Braam. Nu men soms ook met de auto naar de verder gelegen visstekken gaat, heeft men een sjeffeerder nodig en echt, het kostte me enige tijd voordat ik door had dat men chauffeur bedoelde. In de vergadering van 30-7-1928 wordt de Heer Büster met een stem meer dan Jan Obee gekozen als nieuwe penningmeester. In deze periode rommelde het in het bestuur want als in de ene vergadering de penningmeester Kwadijk bedankt, er commentaar van bestuursleden komt op secretaris P. Hoek die 2 functies in het bestuur bekleedt en dan in de volgende vergadering deze secretaris bedankt maar toch weer met een kleine meerderheid wordt herkozen, loopt alles niet soepel. Dat blijkt ook op 7 december 1929 als er een extra vergadering is die door 12 leden wordt bezocht en het hoofdpunt van de agenda is het bedanken van secretaris P. Hoek. Er zijn 5 kandidaten voor deze post en na diverse stemmingen wordt de Hr. G. Visser gevraagd of hij zijn benoeming aanneemt en het antwoord is: “Ja.” Aan het totaal andere handschrift, met inkt en kroontjespen geschreven, van deze nieuwe secretaris moet ik eerst weer wennen. Welke Hr. G. Visser dit is weet ik niet en in de ledenlijst van 1931 vind ik 6 Vissers met de voornamen Ch., M. , S., J., W., en tenslotte de gekozen G. Visser. Ik neem aan dat ik vroeger of later wel te weten komen om welke Visser, een toepasselijke naam bij deze club, het ging. In deze vergadering werd ook een andere persoon, van wie we later nog veel zullen horen, in het bestuur gekozen: de Hr. Jb Muller.
Hoewel met deze vergadering van 7-12-1929 het verslag van de twintiger jaren ten einde is, doe ik er toch nog 2 jaar bij zodat ik straks kan aansluiten bij het gedeelte waar ik informatie uit de kasboeken en ledenlijsten vanaf 1932 gebruikt heb. Daar had ik al 8 pagina’s van klaar toen ik de 3 boeken vol notulen onder ogen kreeg. Ik zal interessante informatie uit de notulen onder de noemer “Notities uit de notulen” per periode tussen de eerdere tekst plaatsen en zo komt er een vrij compleet beeld van het reilen en zeilen van De hengelaar tussen 1931 en 1977. Ik neem aan dat er van de periode 1977 tot 2011 ook nog genoeg materiaal beschikbaar is om in dit overzicht te vermelden. Nu eerst nog even verder met de notulen van 1930 en 1931.
Op 18 januari 1930 is er een jaarvergadering waar 13 leden aanwezig zijn. De nieuwe secretaris maakt meer uitgebreide notulen dan zijn voorganger maar

de onderwerpen blijven dezelfde. Het prijsvissen is in het N-H Kanaal tussen Graftdijk en Akersloot en men kan voor het bedrag van 25 cent met de auto’s van o.a. D. van Leeuwen meerijden. In deze vergadering heeft men het ook over een feest tgv het 20 jarig bestaan en dit komt in de volgende vergadering. Het leuke is dat er nu nog een verslag volgt van die betreffende wedstrijd aan het N-H Kanaal. Er deden 14 leden mee die in de komende 1,5 uur helemaal niets vingen. Om 11 uur is men toen naar de Zuiddijk gegaan om daar nog 30 minuten op baars te vissen. De Hr. J. Noë was de enige die vis ving, 2 ondermaatse baarsjes en zo de enige prijswinnaar was. Op de vergadering van 10 mei 1930 waren maar liefst 28 leden aanwezig en de secretaris maakt er zeer uitgebreide notulen van maar het punt 20 jarig jubileum komt niet aan de orde. Het belangrijkste punt van deze vergadering was een toespraak, met daarna een discussie, van beroepsvisser Bankerse over meer samenwerking tussen sport en beroep, een thema dat nog steeds actueel is. Op de vraag uit de vergadering waar al die karpers die men vroeger vrij gemakkelijk ving, gebleven zijn komt het antwoord van de Hr. Bankerse dat vissers uit Amsterdam zakken vol met grote en kleine karpers mee naar huis genomen hebben om ze o.a. aan de kippen te voeren. Zo werden er over en weer beledigingen geplaatst, zaken afgekamd en de kans op samenwerking werd klein geacht. De beroepsvissers vroegen om subsidie voor pootvis en als die gegeven wordt, zal men dit najaar nog jonge karper uitzetten. Na een heftig debat, en ook omdat er nu veel leden aanwezig zijn, wordt besloten dit punt in deze vergadering af te handelen. Met 20 stemmen voor wordt de subsidie verleend, hoeveel echter zal in de volgende vergadering bepaald worden. De voorzitter feliciteert de Hr. Bankerse met “zijn overwinning” en gaat verder met het punt prijsvissen. Dat wordt een wedstrijd op 1 juni met bootjes op karper in de Gouw, aas vrij, 1 x verkassen en inleggeld 25 cent. Er komt een mooie wisselbeker voor de zwaarste karper met daarbij veel regels over hoe men deze beker definitief kan winnen. Ook van deze wedstrijd is er een verslag en dat laat zien dat er door 40 leden is meegedaan en ze samen 44 karpers vingen. De top 3 zag er zo uit: 1e J. Noë 5 stuks, 2e H. van Braam 5 stuks en op de derde plaats Meester van Houwelingen met 4 karpers. Er werd slechts een bovenmaatse karper gevangen en wel door R. de Vries die dus daarmee de nieuwe wisselbeker voor het jaar 1930 mocht houden. Het lijkt veel 44 karpers maar het zijn allemaal knollen om het in karpertaal te zeggen want die ene maatse karper woog maar een pond, 500 gram dus, en de rest allemaal minder. Rest me nog te vermelden dat er 10 prijzen beschikbaar waren voor deze wedstrijd, variërend van karperhengel tot schemerlamp en van rookstel tot een kistje sigaren. Genoeg woorden aan een baars- en karperwedstrijd besteed en over naar de laatste notulen tot 1932. In de vergadering van 5 juli 1930 komt er

weer een pittige discussie over de subsidie van pootvis op gang. Met 15 stemmen voor en 2 tegen wordt besloten dat er met een lijst wordt rondgegaan waarop de leden een vrijwillige bijdrage kunnen invullen en dat er geen geld uit de kas gegeven wordt. Hoe groot de subsidie geworden is, vermelden de notulen niet maar in een ingekomen brief bedankt de Hr. Bankerse de leden wel voor hun bijdrage waarvan in november edelkarper zal worden uitgezet. Wel weet ik via de vergadering van 17-1-1931 dat het batig saldo over 1930 welgeteld Fl. 40,93 bedroeg. In 1931 stellen de beroepsvissers voor dat 2 leden van De Hengelaar hun jaarvergadering bij kunnen wonen als 2 beroepsvissers op de jaarvergadering van de visclub mogen komen, werd met 15 stemmen tegen en 8 voor verworpen. Het voorstel om jaarlijks 2 karper- en 2 baarswedstrijden te houden, wordt wel aangenomen. Verslagen van deze 4 wedstrijden zijn vermeld en de karpervangsten waren niet geweldig. De 1e wedstrijd met 40 deelnemers 12 ondermaatse en 1 maatse karper en aan de 2e wedstrijd deden 26 leden mee die slechts 5 ondermaatse karpers vingen. Het baarsvissen ging beter want de 33 leden vingen op 19-7- 1931 aan de Zuiddijk 175 ondermaatse en 24 maatbaarzen. Eind september vist men weer op baars aan de Zuiddijk en de 30 leden vangen nu maar68 kleine en 9 maatbaarzen. Blijft nog over de vermelding dat men in 1931 een brief over de verpachting van het Rijper viswater aan de Gemeenteraad gestuurd heeft. Een punt dat nog vele jaren op de agenda zal blijven staan.
De crisisjaren
Als ik naar de eerste schriftelijke informatie uit 1916 kijk, zie ik dat 70 personen uit Graft en De Rijp lid waren en de contributie bedroeg 20 cent per maand of 2,40 gulden per jaar. In 1932 waren er ook 70 leden en bedroeg de contributie nog steeds 20 cent per maand. Wat verder opvalt, is dat mensen van alle gezindten en religies lid waren, een echt oecumenische vereniging. Ook viel het me op dat er veel middenstanders lid van de Hengelaar waren, wel zo’n 25%. Ik zal er wat noemen Piet de Rijke, Jaap van Straaten, Herman Kaptein, Piet Berkhout, J. Rijkes en H. van Oenen. Die mochten dan ieder jaar voor een luttel bedrag van meestal niet meer een paar gulden prijzen voor de wedstrijden leveren. Zo waren in 1932 de totale uitgaven van de visclub Fl. 179,50 en daar stond als inkomsten een bedrag van Fl. 208,08 tegenover, dus een batig saldo van Fl. 28,58. Bij de uitgaven van 1932 lezen we ook een bedrag van Fl. 12,80 dat penningmeester A. Büster ontvangt als bodeloon voor nieuwe leden. En wat te denken van de ene gulden aan kosten voor omroeper Klinkenberg?
Op 11 juni 1934 stopt A. Büster als penningmeester en wordt opgevolgd door Jan Obee die tot 8 april 1957, dus bijna 23 jaar, penningmeester zou blijven. Hij was toen 76 jaar en werd opgevolgd door Jb. Muller die op zijn 67ste begon met  

deze klus en ook stopte toen hij 76 was. In die jaren was Meester van Houwelingen belast met de kascontrole en we zullen zijn naam nog diverse keren terugvinden voor deze klus.
De nieuwe penningmeester schrijft in het kasboek niet alleen wat de prijzen bij de diverse middenstanders kosten maar ook wat het zijn. Hier een korte opsomming uit 1935: rollade, kistje sigaren, naaimand, fluitketel, ligstoel, vulpen, servies, hengelspullen, buitenbanden, wekker, pullover bij H. van Oenen en een wollen deken van Fl. 7,85. Het ledental blijft in deze crisisjaren tussen de 54 en 70 schommelen en soms hoeven werkelozen die grote problemen hebben, de contributie enige tijd niet te betalen. Maar ook komen er langzamerhand leden die voor een half jaar en zelfs een jaar vooruit betalen, dit tot groot plezier van de penningmeester. In mei 1937 overlijdt onverwachts het trouwe lid A. Eisma en ik maak me sterk dat de boeken waarin ik dit bericht nu lees, destijds bij dit lid gekocht zijn, net als pennen, potloden etc. Bloemist Klaassie, omdat hij echt klein was, Tuin mag voor Fl. 7,50 een rouwtak leveren. In 1939 bedragen de inkomsten Fl. 244,63 en de uitgaven Fl. 160,88 en aldus een batig saldo van Fl. 83,75 en er zijn dan 54 leden. Tenslotte valt nog op dat niet alle hengelsportspullen bij van Braam gekocht worden. Regelmatig kom ik bij de uitgaven de post: Transportkosten gekocht hengelsportmateriaal. Tot zover de informatie uit het kasboek en laten we eens kijken wat voor interessante zaken er in de notulen uit die periode staan.
Notities uit de notulen
In de jaarvergadering van 14 januari 1933 komt het prijsvissen door “Amsterdammers” weer aan de orde en men komt niet tot een eensgezind standpunt over de vraag of men deze buitenpoorters lid moet maken of niet. Op 20 mei vergadert men weer en de het heeft heel wat voeten in de aarde voordat men het eens is dat de eerste wedstrijd van 11 juni een karperwedstrijd is, aas aardappel, met schuitjes naar de Gouw, er worden steekstokken geplaatst en Jan Noë die geen bootje heeft, mag bij meester van Houwelingen in de boot. Besloten wordt ook om de VVV te vragen viswedstrijden voor Amsterdammers te organiseren, wel met hulp van de club. Men besluit meteen voor 1 gulden per jaar donateur te worden van de VVV en is blij dat dit moeilijke punt op deze manier opgelost is. Er werden die 11 e juni maar 7 karpers door 27 vissers gevangen waarvan er 2 de maat hadden. Jaap Plukker ving een karper van 700 gram en verdiende daarmee de wisselbeker. Op zondag 10 september wordt dan eindelijk de VVV wedstrijd voor visclubs buiten De Rijp gehouden. Twaalf clubs uit vooral de Zaanstreek doen mee en men vist op de Zuiddijk. Er worden in totaal 272 baarzen gevangen en hsv ‘De Morgenster’ uit Uitgeest wordt met 37 baarzen eerste, Visclub ‘Wormer’ krijgt  

de prijs voor het mooiste vaandel. In de vergadering van 23-9-1933 krijgen de beroepsvissers een veeg uit de pan omdat ze voor de afgesproken datum van 1 oktober nu al met schakels vissen. De voorzitter zal dit punt aanhangig maken bij de gemeenteraad omdat die eigenaar van de visrechten zijn. Begin 1934 komt een interessant punt aan de orde: de wedstrijden voor een heel jaar vaststellen! Dat punt wordt van alle kanten bekeken maar alles blijft bij het oude: voor iedere wedstrijd eerst een vergadering. In de vergadering van 19 mei 1934 kondigt penningmeester Büster zijn ontslag aan ivm verhuizen naar Bergen. Hij krijgt veel lof voor zijn bijdrage aan het welzijn van de club en wordt benoemd als erelid. Jaap Plukker wordt in het bestuur gekozen en daarna wordt Jan Obee als penningmeester/bode gekozen. Er is ook nog een pittige discussie over het meten van de controleurs want dit gaat niet goed. Besloten wordt nieuwe maatplanken te laten maken waarop de baars gelegd dient te worden en bij twijfel de voorzitter erbij halen. Ook wordt besloten om de komende jaren een subsidie van Fl. 15,- voor pootvis aan de beroepsvissers te geven. Op de vergadering van 7 juli komen maar 5 leden en het bestuur wil de vergadering en de komende viswedstrijd wegens gebrek aan belangstelling niet door laten gaan. De leden zijn tegen en er wordt dus op 15 juli wel een wedstrijd op baars aan de Zuiddijk gehouden en daar doen 31 leden aan mee en die 3 maatbaarzen en 94 kleine baarzen. In de volgende vergadering komt dan het punt: Afgelasting van vergadering en wedstrijd bij geringe opkomst. Het bestuur stelt 15 leden als minimum en de leden zijn het daar niet mee eens. Uiteindelijk wordt men het eens over minimaal 10 leden die aanwezig moeten zijn om de vergadering en de viswedstrijd door te laten gaan. Vervolgens wordt er weer stevig gediscussieerd over het uitzetten van pootvis en men heeft gehoord dat het beroep duizenden snoekjes heeft “gepoot’ en daar is men niet blij mee. Noot van de auteur: nu zou men juist blij zijn met een dergelijke uitzetting.
De VVV wedstrijd trekt 10 verenigingen en zij vangen samen 305 kleine baarzen en 11 maatbaarzen. Of het door de komst van een aantal verenigingen met vaandel komt, vertellen de notulen niet. Maar wel is het zo dat de Hr. Sassen het initiatief neemt voor een Vaandelfonds en dat o.a. doet met een soort loterij die Fl. 19, - opbrengt. Ook worden vrouwen en meisjes verzocht om t.z.t. te helpen met het maken van het vaandel. Het zou mooi zijn als er een vaandel komt, zegt de voorzitter, dan kunnen we daar de gewonnen medailles ophangen. Het eerste dat me opvalt als ik de eerste notulen van 1935 onder handen krijg, is het andere handschrift, waarschijnlijk dus ook een andere secretaris en deze veronderstelling klopt. De Hr. Visser bedankt als secretaris maar blijft wel aan als bestuurslid. Jaap Plukker wordt benoemd tot nieuwe secretaris en ook voorzitter Schouten wordt voor de zoveelste keer herkozen. 

Er wordt ook melding gemaakt van het 25 jarig jubileum dat naderbij komt en de penningmeester zag graag een goedgevulde kas. Dat de leden daarover bezorgd zijn, blijkt o.a. uit een vraag van Jb. Muller, vaak verkeerd geschreven als Mulder, die in mei 1935verzoekt minder geld aan prijzen uit te geven ivm het jubileum en de voorzitter ondersteunt dit verzoek. Waarschijnlijk is in dit jaar de Hr. Kl. Van Braam begonnen met de verkoop van hengelsportspullen want hij stuurt prijsopgaaf naar het bestuur van de sportartikelen die hij verkoopt. In de jaarvergadering van 22 februari 1936 wordt besloten om de 4e viswedstrijd de jubileumwedstrijd te maken en te zorgen voor extra prijzen. In de avond dan prijsuitreiking met verdere attracties. Het bestuur mag dit alles naar eigen inzicht regelen. In de notulen van 23 mei 1936 lees ik voor het eerst iets over de vergunning die men nodig heeft om in het polderwater te mogen vissen. Deze viskaart wordt door de Gemeenteraad verstrekt en kost dan 50 cent. Penningmeester Jan Obee regelt een en ander met de gemeente. In deze vergadering wordt ook besloten in het N-H Kanaal de volgende baarswedstrijd te houden en er mag met 2 haken gevist worden. Grappig dat men op dieper water met 2 haken mag vissen en in het ondiepe polderwater maar met een haak. Op 10 oktober is dan de vergadering waarop de jubileumwedstrijd besproken wordt en 21 leden zijn aanwezig. Men stelt een zodanig tijdstip voor dat zoveel mogelijk leden mee kunnen doen en besloten wordt op zondag 18 oktober 5 halve uren op baars te vissen aan de Zuiddijk, aas worm en 1 haak. Alle leden zullen bij toerbeurt een half uur surveilleren. Er zullen 18 prijzen voor deze wedstrijd gekocht worden en de prijsuitreiking is die zondagavond in het lokaal van de Hr. Blokdijk. De voorzitter vindt het een hele prestatie dat we al 25 jaar bestaan en vindt het wel jammer dat een bestuurslid bedankt heeft. Dit blijkt de Hr. Visser, de oud-secretaris, te zijn, reden onbekend. De jubileumwedstrijd wordt door 43 leden van de 58 leden bezocht en ik denk dat dit het hoogste percentage, bijna 75%, ooit is. Deze 43 deelnemers vangen slechts 54 ondermaatse en 5 bovenmaatse baarzen. De Hr. H. Hoek is de winnaar en hij gaat met een wollen deken naar huis. Over de feestavond zelf is niets te vinden in de notulen Op 6 juni 1937 wordt dan eindelijk weer een maatkarper gevangen en kan de wisselbeker aan de Hr. C. Ruiter worden overhandigd. In de vergadering van 21 -9-1937 komen de gemoederen naar 2 mislukte karperwedstrijden aardig los. Temeer omdat men gezien heeft dat daags voor een wedstrijd de beroepsvissers aan het plompen geweest zijn. Komt er nog een slechte karperwedstrijd waarbij er prijzen overblijven, gaan deze prijzen naar de eerstvolgende baarswedstrijd. Men ziet, het leven van een hengelsportbestuurder was toen ook al niet gemakkelijk. Trouwens, in de meeste vergaderingen komen de punten controle, waar staan de controleurs, waar te vissen, het uitzetten van de paaltjes en de puntentelling steeds weer  

aan de orde. Ik denk dat dit nog steeds hete hangijzers zijn. Op 19-6-1938 vissen 40 leden een karperwedstrijd en vangen maar 8 ondermaatse karpers. Misschien zijn de slechte vangsten ook de reden van de slechte opkomst bij de vergaderingen want ik tel 4 vergaderingen met 10 leden en een met 12 man. In de vergadering van 3-10-1938 wordt besloten een baarswedstrijd in de Belsloot op het land van de Hr. Bakker te houden. In de notulen komen we dit viswater ook tegen onder de namen Beltsloot en Bellesloot en ik denk dat de laatste naam de juiste is omdat ik die ook op oude kaarten tegenkom. In de jaarvergadering van 4-2-1939 worden de heren Obee en Muller bij acclamatie herkozen. De leden willen nog steeds dat er voor iedere wedstrijd een vergadering wordt gehouden waarop men de regels en de locatie kan bespreken. Het bestuur zag liever per jaar een wedstrijdrooster vastgesteld. Op 4 juni vangen de leden 10 kleine en een bovenmaatse karper en de Hr. J. Noë mag zowel de eerste prijs uitzoeken, hij kiest een spiegel, als de wisselbeker voor een jaar meenemen. Hoeveel baarzen er tijdens de wedstrijd van 23 juli in de Beltsloot gevangen worden, vermelden de notulen niet. Wel dat secretaris Jb. Plukker de eerste prijs had en ik vraag me af of hij deze haardfauteuil op de fiets mee naar huis genomen heeft. Tijdens de vergadering van 7 oktober 1939 wordt besloten nog 2 baarswedstrijden te vissen en penningmeester Obee laat weten dat er genoeg in kas zit en er geen inleggeld voor de extra wedstrijd betaald hoeft te worden. De eerste wedstrijd is aan de Beltsloot en de tweede in het N-H Kanaal tussen Spijkerboor en Oost-Graftdijk. Met de wijze opmerking van de Hr. C. Zomerdijk dat de leden hun grieven niet op straat of aan de waterkant moeten uiten maar op de vergadering, maakt de voorzitter een einde aan de laatste vergadering uit de dertiger jaren.
Oorlog en vrede
In 1940 zijn er minder leden dan in het voorgaande decennium, namelijk 56. Dat kan niet aan de activiteiten van de club gelegen hebben want ik lees dat er 2 karper en 4 baarswedstrijden gehouden zijn waarvoor wel inleggeld betaald diende te worden. Of dit reguliere competitiewedstrijden waren of open wedstrijden, kan ik helaas niet terugvinden. Nog steeds koopt de club loten van de Wittenstad maar een gewonnen prijs bij de inkomsten vind ik niet. In 1942 bedanken gedurende het visseizoen niet minder dan 9 leden en wat daarvan de oorzaak is, valt niet te achterhalen. In 1943 heeft de club nog slechts 52 leden en lees ik dat T. Klompenmaker naar Duitsland moet. Blijkbaar niet voor lang want in 1944 staat hij weer op de ledenlijst maar bedankt H. Klompenmaker. In 1944 zijn er minimale activiteiten en bedragen de inkomsten van enkel en alleen contributie en 2 x inleg voor een baarswedstrijd Fl. 188,90. Er zijn ook minimale uitgaven, te weten Fl. 72,01 en dus een batig saldo van Fl. 116,34.  

Daar volgt dan een correctie op want met terugwerkende kracht moet er Fl. 1,85 aan verenigingsbelasting betaald worden over 1941 t.e.m. 1944. We zien nu ook de post “Auto J. de Boer 7,50” voor de tweede keer verschijnen en ik weet nog dat we in de 50er jaren met de vrachtauto van Jan de Boer van de Klaterbuurt naar het N-H Kanaal bij Graftdijk te vissen gingen. In maart 1945 wordt H. Klompenmaker weer lid en nog wat vissers, onder wie Willem van Braam, melden zich als lid en de club groeit naar 59 leden.
Als we naar de inkomsten en uitgaven van 1946 kijken, zien we veel meer activiteiten dan in de voorgaande jaren en zo was er naast 5 baarswedstrijden ook een jubileumwedstrijd tgv het 35 jarig bestaan. De leden J. Schouten en Jaap Plukker ontvingen ieder een azalea tgv hun 50 en 25 jarig huwelijk. Kom daar tegenwoordig nog maar eens om…
Meester van Houwelingen zit weer diverse keren in de kascontrole cie. en dat geldt ook voor G. en J. Taam. Op 3 september 1948 “verdient” de Hengelaar 3 gulden met een eervolle vermelding tijdens de gondelvaart waar me persoonlijk nog heel vaag iets van voorstaat. Dat men voor de 30 lampions en andere spullen die men hiervoor nodig had, de somma van Fl. 17,08 moest betalen bij Jaap Kaptein, vond men niet erg want er was dat jaar een batig saldo van Fl. 78,89. Vermeldenswaardig uit 1949 vond ik dat het bodeloon, nog altijd 10%, over dit jaar in een keer uitbetaald werd op 31 december. Er waren 4 leden die de jaarlijkse contributie van Fl. 2,40 in een keer vooruitbetaalden en 5 leden die per half jaar betaalden. Ik heb nog gekeken naar wanbetalers maar ben die niet tegengekomen en dat is een zeer positief gegeven.
Notities uit de notulen.
Ik ben blij dat er ook gedurende de oorlogsjaren notulen gemaakt zijn van toch nog heel wat vergaderingen want daar haal ik meer informatie uit dan uit de kasboeken en ledenlijsten. De jaarvergadering van 10-2-1940 gaat vooral over de zeer strenge winter en de duizenden dode karpers die men nu al onder het ijs ziet liggen. In de voorgaande jaren hebben de beroepsvissers en de gemeente vooral karpers uitgezet doch nu heeft de gemeenteraad besloten om snoekbaars uit te zetten. De Hengelaar besluit om een subsidie van 15 gulden voor dit project te geven. Tevens zal het bestuur informeren wat voor aktes en vergunningen er nodig zijn om met levend aas te mogen vissen. Voor mij een indicatie dat het vissen op snoek en snoekbaars destijds op een laag pitje stond en dat zal jaren later heel anders worden. Als er op 25 mei opnieuw vergaderd wordt, is de oorlog een feit en de burgemeester heeft toestemming verleend om deze vergadering en ook volgende vergaderingen te houden op de nadrukkelijke voorwaarde dat er niet over politiek gesproken zou worden. De  
voorzitter verzoekt de leden hier rekening mee te houden. Het bestuur weet in deze vergadering nog niet welke papieren men nodig heeft als men met levend aas gaat vissen. In de laatste vergadering van 1940, die vooral is uitgeschreven om over de uitermate slechte vangsten van dit jaar te praten komt ook het vaandel weer ter sprake. Waar zijn de gelden voor dit vaandel? Besloten wordt deze kwestie op de komende jaarvergadering te bespreken. Deze werd gehouden op 15 februari 1941 en de vraag was of dit vaandelfonds zelfstandig moest blijven of dat de gelden in de kas van de club moesten komen. Bakker D.C. de Moes stelde voor een uitje van te gaan houden maar daar was men niet voor en werd besloten alles bij het oude te laten. De vangsten van de laatste wedstrijd in de Beemster Ringvaart waren slecht en omdat ook andere vissen dan baars telden, werd iemand winnaar met een aantal stekelbaarzen. Dat vond men maar niks en besloten werd stekelbaars voortaan niet te tellen. Op 24 mei is de volgende vergadering en een deel van de leden wil geen karperwedstrijd maar meteen een baarswedstrijd want karper is moeilijk te vangen. Besloten wordt toch op 8 juni op karper in de Balkenhaven en de Buishaven te vissen. Zijn de vangsten slecht, dan meteen volgende week een wedstrijd op baars waarbij ook andere soorten, behalve stekelbaarsjes, tellen. Op de vraag van de Hr. Plukker hoe het nu zit met de vergunningen voor het vissen met levend aas op snoek, antwoordt de voorzitter dat hij bij de bevoegde instanties gaat informeren. In de vergadering van 6-9-1941 deelt de voorzitter mede dat hij bericht heeft ontvangen van het Rijksbureau voor de inlevering van metalen en de vereniging de toeter en de wisselbeker niet hoeft in te leveren. De jaarvergadering van 28 maart 1942 wordt door slechts 12 leden bezocht er worden geen interessante zaken behandeld. In de volgende vergadering in mei vragen de leden zich af of ze nog wel mogen vissen want er schijnen wat nieuwe regels te zijn. Het bestuur stelt de leden gerust en het is hem niet bekend dat het niet mag dus we vissen rustig door. De discussies over waar te vissen, hoe de puntentelling moet zijn enz. verlopen minder rustig en ik vind het schitterend om te lezen hoe men elkaar soms in de haren vliegt over de vraag of er 3 of 4 keer verkast moet worden. In de jaarvergadering van 22 mei 1943 komen de moeilijke tijden aan de orde. Het kopen van prijzen is zeer moeilijk want er is bijna niets te krijgen. In 1943 is de eerste wedstrijd nu voor het eerst een baarswedstrijd met de volgende puntentelling: bovenmaatse baars 3 punten, kleine baars 2 punten en witvis 1. Wat er nu met de wisselbeker, die altijd voor de zwaarste bovenmaatse karper van de eerste wedstrijd was, moet gebeuren, weet het bestuur nog niet. Er worden in deze oorlogsjaren veel minder vergadering gehouden en de tweede en laatste vergadering in 1943 wordt op 14 juli gehouden. Het belangrijkste punt is de mededeling dat het lid G. Visser in het N-H Kanaal een snoek van 16 pond ving. 

Snel door naar de jaarvergadering van 13 mei 1944. De Hr. Van Houwelingen deelt mede dat hij uit goede bron vernomen heeft dat we mogen blijven vissen in het Rijper water. Er wordt voor het eerst gevraagd of er geen snoekwedstrijd gehouden kan worden maar dat kan niet omdat veel leden geen snoekakte hebben. Op zondag 4 juni wordt er een baarswedstrijd met schuitjes op de Gouw gehouden, 04.30 uur verzamelen achter Blokdijk. Wie de grootste baars vangt, mag de wisselbeker voor een jaar bewaren. De hr. Leurs vraagt of het niet mogelijk is dat het bestuur voor wormen kan zorgen maar de voorzitter vindt dat toch echt een zaak van de leden zelf. In de volgende vergadering in juli komt hetzelfde lid met dezelfde vraag en de voorzitter geeft hem de raad een bij mesthopen en vochtige stegen te zoeken. De Hr. Cor Zomerdijk vraagt hoe hij aan een snoekvergunning kan komen. De voorzitter geeft hem het advies om eens met de voorzitter van de beroepsvissers te gaan praten want die hebben deze bescheiden in handen. Op 26 mei 1945 is er dan de eerste naoorlogse jaarvergadering en het ledental is gelijk gebleven en bedraagt nu 54. Als nieuwe leden noteren we Willem van Braam en Jaap Roemer. Dit is de enige vergadering in 1945 en de jaarvergadering van 2 februari 1946 is de volgende. De opkomst is met 7 leden minimaal en de voorzitter deelt mede dat we dit jaar 35 jaar bestaan en vraagt de leden of we dit nog moeten vieren? Een belangrijk punt is de vraag of we de visrechten voor het Rijper water, die in de oorlog aan de beroepsvissers gegeven zijn, nog terug krijgen en besloten wordt een verzoek aan de gemeenteraad te sturen. Er komen nu weer ledenvergaderingen waarop vooral de wedstrijden besproken worden en je ziet dat het nu vooral baarswedstrijden zijn. Ook de kosten van de vergunningen, die via de beroepsvissers komen, zijn vaak onderwerp van gesprek. De viering van het 35 jarig jubileum wordt gedaan door middel van een wedstrijd op 22 september in het N-H Kanaal. Andere feestelijkheden kosten teveel geld en daar is de kas niet op berekend. De nieuwe kastelein Gerrit Grasboer schenkt een fles cognac beschikbaar voor de grootste baars. De notulen van de jaarvergadering van19 april 1947 gaan vooral over de dure vergunningen voor het polderwater en men gaat daarover met de gemeenteraad en de beroepsvissers praten om weer dezelfde bepalingen als vroeger te krijgen. In deze jaarvergadering en de 2 volgende vergaderingen in 1947 komt ook het punt weer lid worden van de Hengelaarsbond aan de orde. Het bestuur vindt deze aansluiting te duur en de club sluit zich niet aan bij de Hengelaarsbond. Tijdens de jaarvergadering van 20-3-1948 komt het punt contributieverhoging aan de orde. Sinds de oprichting in 1911 is deze onveranderd gebleven, 20 cent per maand, en nu alles duurder wordt, is wat meer geld in kas best handig. Het bestuur zal dit punt op de agenda van de volgende vergadering zetten. Omdat de oprichting van een aspirant afdeling een schip van bijleg wordt en de kas  
niet erg groot is, kan contributieverhoging een goede zaak zijn. We lezen nu ook voor het eerst dat men een soort competitie wil van alle baarswedstrijden en dat daaruit de kampioen moet komen, te beginnen met 4 wedstrijden. In de vergadering van 25 mei wordt besloten de contributie niet te verhogen maar wel het inleggeld bij wedstrijden te verhogen van 25 naar 50 cent. In dezelfde notulen lees ik dat de doorvaart van de Tilbrug gesloten is en ik kan me die bouw van de huidige Tilbrug nog goed herinneren. Waarom? Omdat ik me nog heel goed de vele, ook grote, vissen in die bouwput herinner als ik van ons huis aan de Grafterbaan naar de kleuterschool ging. Ik denk dat ik daardoor ook gemotiveerd raakte om grote vissen te gaan vangen. Dat zelf vissen gebeurde dan vooral in het slootje tussen Lijnbaan De Poel en het erf van Bik Bakker en achter de slagerij van mijn oom Herman Greuter aan het Westeinde. Waar het bloed en restjes slachtafval rechtstreeks in de sloot verdwenen, zat altijd veel witvis. Het is leuk om weer eens de resultaten van de baarswedstrijden te lezen en na de notulen komen de uitslagen van de 5 baarswedstrijden in 1948. Vreemd genoeg wordt niet vermeld wie de kampioen is maar als ik moest raden, zou ik Henk Klompenmaker noemen die 2 x eerste, 1 x vijfde, 1 x zesde en een keer onbekend geworden is. Hij won hiermee de volgende prijzen: een nest schalen, een stoofpan, een theeblad en een nest pannen. We mogen aannemen dat moeder Klompenmaker ook tevreden was. Over de vangsten werd niet gemopperd wat de gemiddeld 28 deelnemers per wedstrijd vingen in totaal 1262 ondermaatse en 64 maatse baarzen. In de jaarvergadering van 17 maart 1949 vraagt de Hr. van Houwelingen hoe lang het geleden is dat er een verzoek aan de gemeenteraad gedaan is om de visrechten van het Rijper water weer in eigen hand te krijgen. Deze voorzitter antwoordt dat er nog steeds gesprekken lopen en het contract met de beroepsvissers nog niet afgelopen is. Voorgesteld wordt een nieuw verzoek in te dienen en eerst nog eens met wat raadsleden over deze materie te praten. De puntentelling van de baarswedstrijden is nu: ondermaatse baars 1 punt, baars van 18 tot 21 cm 5 punten en baars boven de 21 cm 10 punten. Ik ben nieuwsgierig om te zien in welke vergadering ook deze telling weer veranderd gaat worden. In de laatste vergadering van 1949 verzoekt de voorzitter de leden om eens na te denken over het wedstrijdvissen in verschillende klassen. Hoe dat afloopt, lezen we waarschijnlijk in de notulen uit het volgende decennium.
Goede herinneringen aan de vijftiger jaren
De eerste klus voor de penningmeester in januari 1950 is de verenigingsbelasting, die 65 cent bedraagt, betalen. Vervolgens kan hij het een tijdje rustig aan doen want op 13 mei betaalt hij de kosten van de jaarvergadering die toen Fl. 10,85 kostte. Wat mij nog steeds verbaast, is dat ik  
nog geen enkele rekening van betaalde pacht aan beroepsvissers of een andere instantie die visrechten verhuurde, gezien heb. Wel heb ik in de voorgaande 20 jaar 2 maal een rekening gezien voor gekochte pootvis en ik ga denk toch eens uitzoeken hoe dat precies in elkaar gezeten heeft.
Op 22 januari 1951 is er een jubileumavond met receptie en ontvangt de visclub van andere verenigingen en het gemeentebestuur diverse enveloppen met inhoud, meestal 5 of 10 gulden, en van de leden zelf het mooie bedrag van Fl. 278,10. Daarvan kan dan weer het feest voor de leden dat op 28 mei plaats vond, betaald worden. Dat wordt gehouden in de zaal van Grasboer, nu Het Wapen van Munster, en de leden drinken voor 90 gulden aan koffie en drank op. De muziek, Harten V genaamd, kost 30 gulden en daar kwam dan nog 6 gulden voor de taxi van G. Molenaar bij. De 4 bakkers die lid zijn, mogen ieder koek en taart leveren en barbier Visser en Piet Berkhout leveren het rookwerk, over rookvrij werd nog geen seconde nagedacht. Al met al is 1951 het jaar waarin de totnutoe grootste “omzet” in de boeken kwam. De inkomsten bedroegen Fl. 700,72 en de uitgaven Fl. 552,58 dus een batig saldo van Fl. 148,14. In 1953 zijn er 85 leden en dat zijn dan voor 99% inwoners van De Rijp en Graft, nog weinig buitenpoorters. Zelf word ik die zomer 10 jaar en verdien in de herfstmaanden mijn zakgeld met aasvisjes vangen voor de snoekvissers. Als het even kon ging ik op zaterdagmiddag en zondag ook vaak mee met de snoekvissers waarvoor ik aasvisjes ving. Namen? Jan Beel Timmer, Arie Hoedje Veenman, Wouter Brandhof, Willem van Braam en gastvisser Ab Geldermans, ja de bekende wielrenner. In de herfst van 1954 vang ik helemaal alleen mijn eerste snoek, een exemplaar van 51 cm, in het slootje om het Kamerhop bij het Jagersbruggetje. Ik deed eigenlijk alles fout maar de snoek kwam op het droge en ging vol trots mee naar huis. Van snoek terugzetten had nog niemand gehoord en gebakken snoek vormde een prima aanvulling op het vaak karige naoorlogse menu.
Begin 50er jaren werden er op zondagmiddagen witviswedstrijden voor de jeugd in de Tuingracht gehouden. We vingen soms wel 100 visjes per persoon en dat zonder te voeren en een stukje wittebrood als aas, van maden had ik nog nooit gehoord. In de uitgaven van 1954 kom ik voor de eerste keer een post van 25 gulden tegen voor Jeugdclub De Hengelaar. Interessant vind ik ook dat er bij de inkomsten van 1954 op 6 februari een bedrag van Fl. 5,20 staat onder de naam “Batig saldo van de visvergunningen 53.” Dat er destijds vergunningen waren, weet ik uit eigen ervaring want ik had als jochie van 11jaar een Kleine Visakte en een Snoekvergunning nodig als ik op snoek vissen. Ik ben destijds ook gecontroleerd door politieagent Londo die de regels vrij goed kende. Hoe of wat precies, misschien kom ik daar later nog wel achter als  
ik ook wat oude boeken met notulen kan inzien. In 1955 krijgt de Jeugdclub weer 25 gulden en is er een post “batig saldo van Fl. 38,94 vanwege de visvergunningen 1954.” Op 8 oktober 1955 is er in café Grasboer een vergadering met de beroepsvissers. Ik weet uit mijn jeugd dat er wel degelijk beroepsvissers in de polder waren want ik kan de koppen van Gerrit Kroon, Arie Roele, dove Bol, Tinus Kieft en niet te vergeten Nic Molenaar, alias de Poolse jood, nog zo voor de geest halen.
Heel interessant vond ik de ledenlijst van 1956 omdat men daar de geboortedata van de leden vermeldt. Ik heb even snel gekeken wie in dat jaar het oudste betalende lid is en dat is penningmeester Jan Obee die geboren is op14 februari 1881. Een goede tweede is meester van Houwelingen die op 28 februari 1882 het levenslicht zag. Waarschijnlijk zijn er ook nog oudere ereleden zoals oud-voorzitter J. Schouten die in februari 1955 erelid is geworden. Omdat ereleden geen contributie hoeven te betalen, verdwijnt hij daarna uit de ledenlijst waarop alleen betalende leden staan. In de uitgaven van 1956 kom ik op 15 mei de post “80 Hengelvergunningen en 300 dagvergunningen, M v Tiel, Fl. 9.50 “ tegen. Voor de 50 snoekvergunningen betaalt men later Fl. 8,15. Maarten van Tiel is de nieuwe voorzitter en oud voorzitter J. Schouten overlijdt begin oktober 1956 en de club besteed 20 gulden aan een rouwtak. Heel interessant is het feit dat we een bladzijde verder weer de inkomsten en uitgaven van 1956 zien met een aantal veranderingen. Zo worden de 2 posten met vergunningen niet opgevoerd en dat geldt ook voor de post “Reiskosten naar Den Haag van de voorzitter.” Ik hoop in oude notulen nog iets terug te vinden over de reden waarom dit gebeurd is. In 1957 is er iets veranderd op dit gebied want we zien een post “Pacht beroepsvissers van Fl. 200,-“ en bij de inkomsten lezen we dat 91 leden 1 gulden betaald hebben voor een visvergunning en 23 leden kochten een snoekvergunning van 3 gulden. Deze verandering zal wel niet vanzelf gegaan zijn want er was in april weer een vergadering met de beroepsvissers. Kort daarna is er eerst schriftelijk en dan telefonisch overleg met Den Haag, zal de Kamer van de Binnenvisserij wel zijn en vervolgens gaat de penningmeester voor overleg naar Den Haag. Best interessant deze verandering. In 1957 neemt Jb. Muller het penningmeesterschap over van Jan Obee, die wordt dan erelid. Jaap Plukker van de Grafterbaan wordt dan ook erelid. Voor mij is de ledenlijst van 1958 het bewijs dat ik met ingang van het 3e kwartaal van de jeugd overging naar de senioren. Als ik dan naar het financiële overzicht kijk, zie ik niet alleen dat de 33 snoekvergunningen 4 gulden per stuk kosten maar dat men ook nog 13 snoekvergunningen voor 5 gulden per stuk koopt van Nic Molenaar en Tinus Kieft. Ik herinner me vaag dat de snoekvergunningen voor leden van buiten De Rijp duurder waren. Jan Eggers werd dat 1e jaar dat hij mee mocht doen meteen baarskampioen en mocht meedoen aan de kampioenswedstrijd van Zaanstreek-Waterland. IK was de jongste kampioen ooit die daaraan mocht meedoen en het werd in Oost-Graftdijk gehouden. Ik weet nog goed dat ik tekort nylon op mijn hengel had om de worm bij de bodem van het 3-4 meter diepe N-H Kanaal te krijgen. Ik ben die morgen achter op de brommer van Jan Beel Timmer naar deze wedstrijd gegaan en in de uitgaven vinden we de kosten voor de vertering: Fl. 4,90. In 1958 heeft de club voor het eerst een nadelig saldo van Fl. 18,85 en dat nog wel in het jaar waarin men voor het eerst meer dan 100 leden heeft. Prompt gaat in 1959 de contributie “drastisch” met 25% omhoog en wel van 20 naar 25 cent per maand of van Fl. 2,40 naar 3,00 per jaar. In 1959 wordt ook mijn vader lid en zien we dat veel Amsterdammers lid worden. In dit jaar wordt voor het eerst vermeld hoeveel leden er aan de baarswedstrijden aan de Ringsloot en vooral de Zuiddijk mee doen. Dat varieert van 41 tot 48 leden, die goede ouwe tijd!!
In 1959 word ik opnieuw clubkampioen en mag ik zelfs de wisselbeker definitief houden. Ik bedenk me nu dat er destijds niemand moeilijk deed als ik met mijn 15 jaar vanwege de prijsuitreiking in het café kwam. Ik leerde er niet alleen biljarten maar ook een pilsje drinken. Ik durf zelfs te zeggen dat ik er klein beetje seksuele voorlichting kreeg. Hier komt het echt gebeurde verhaal: De prijsuitreiking zou bij Klaas Veenman op het Plukkerspleintje zijn en om 11.45 uur was ik al aanwezig want ik had die ochtend de meeste baarzen gevangen en vond dat uitzoeken van een mooie prijs spannend. Er waren twee oudere jongens aan het biljarten en ze waren in gesprek over de voorgaande avond. Een van de twee had een meisje naar huis gebracht wat de ander de opmerking ontlokte dat die dame in kwestie aan de “hete kant” was en dat zijn maat moest uitkijken om er niet mee te moeten trouwen. Die antwoordde dat hij wel goed uitkeek en voor het zingen de kerk uit ging. Daarop sprak zijn vriend de historische woorden: “ Je kunt het leuk vertellen, maar als ze mooi zingt, blijf je wel zitten!” Ik zal die opmerking nooit vergeten en eerlijk gezegd waren die prijsuitreikingen zeer gezellig en bleven we vaak mooi nazitten in de kroeg en dat schijnt ook bij vissers te horen.
Notities uit de notulen
De jaarvergadering over 1949 wordt gehouden in het café van C. Blokdijk en 15 leden hebben de moeite genomen deze te bezoeken. Via het kasboek kom ik er achter dat deze bijeenkomst begin mei 1950 plaats vond. Vrij laat voor een jaarvergadering en de voorzitter zegt toe dat de volgende jaarvergadering weer in januari zal worden gehouden. Belangrijkste punt is de vraag of het Rijper water weer in handen van De Hengelaar komt of bij de beroepsvissers blijft. In de 2 volgende vergaderingen in 1950 komt het 40 jarig jubileum aan de orde en wordt Henk Klompenmaker in het bestuur gekozen na het overlijden van de vicevoorzitter D. Polman Sr. Op 13 januari 1951 wordt, zoals eerder toegezegd, de jaarvergadering gehouden en 23 van de 60 leden zijn aanwezig. De Hr. Andries Tol geeft een uiteenzetting over de jubileumavond en de aanwezigen gaan hier mee akkoord. Over de jubileumavond en de feestavond voor de leden heeft men al eerder het een en ander kunnen lezen. In de notulen van de jaarvergadering van 2 februari 1952 kan men lezen dat zowel bestuur als de leden zeer tevreden waren over de feestavond. Wel stelt de penningmeester dat we nu wel wat zuiniger moeten omgaan met de kas maar gelukkig zijn er 14 nieuwe leden aangemeld en groei is altijd goed. De Hr. R. de Vries stelt zich niet herkiesbaar en wordt opgevolgd door J. Taam. De voorzitter vindt het nog steeds onacceptabel dat we de visrechten van het Rijper water na de oorlog niet teruggekregen hebben en gaat dit nog eens met de burgemeester bespreken. In de notulen van 17 mei wordt besloten het gebruik van een werphengel bij de wedstrijden te verbieden. In de volgende vergadering kondigt voorzitter Jan Schouten aan dat hij “wegens omstandigheden” de vergaderingen niet meer kan leiden zoals het hoort. Hij wil daarom in de volgende jaarvergadering zijn functie beschikbaar stellen en verzoekt de vergadering tot die tijd een waarnemend voorzitter te benoemen. Dit wordt de Hr. Jan Obee die deze tijdelijke functie aanneemt. Tijdens de jaarvergadering van 7 februari 1953 wordt besloten de Hr. Schouten, die moeilijkheden ondervindt de gesprekken te volgen, zeg maar dat hij stokdoof was, in het bestuur te laten. Hij heeft zoveel kennis van de vereniging en ook genoeg vrije tijd, dat het zonde zou zijn die kennis niet te gebruiken. In deze vergadering komen de grote veranderingen die er op vergunningengebied aan zitten te komen aan de orde. Besloten wordt met een delegatie van 3 man te gaan praten met de gemeenteraad en officieel te vragen of De Hengelaar het Rijper viswater kan pachten. Op de ledenvergadering van 9 mei 1953, waar 37 leden aanwezig zijn, komt er meer duidelijkheid en er is een overeenkomst voor een periode van 3 jaar met de beroepsvissers over vergunningen en het uitgeven daarvan door de visclub. Alle leden komen in aanmerking om een snoekvergunning van 3 gulden en een gewone vergunning van 1 gulden te kopen. Verder mag De Hengelaar 150 dagvergunningen om te snoeken, kosten 50 cent, en 300 gewone dagvergunningen van 25 cent per jaar verkopen aan per jaar aan het beroep betalen en ook nog eens jaarlijks 75 gulden voor pootvis. Voorzitter Schouten kan zich maar moeilijk verenigen met deze nieuwe regeling die de club met handen en voeten aan de beroepsvissers bindt. Hij zag gaarne dat het visrecht van het Rijper water weer aan de oorspronkelijke eigenaar, De Hengelaar, wordt teruggegeven. Waarnemend voorzitter Obee is van mening dat de wetten en regels veranderen en dat een half ei beter is dan een lege dop en stelt voor deze overeenkomst goed te keuren. De leden stemmen voor en de voorzitter doet dat onder protest. Vreemd genoeg kom ik pas in 1957 voor het eerst de post Pacht aan beroepsvissers Fl. 200, - tegen en ook een post van 75 gulden voor pootvis. Op een of andere manier heeft men in de 3 voorgaande jaren de inkomsten en uitgaven van de vergunningen en pachtkosten buiten het kasboek gelaten. In de vergadering van 1-8-1953 blijkt dat er te weinig snoekvergunningen voor de leden zijn en dat zorgt voor veel onrust en discussie. Blijft de aanvraag hoger dan het aantal beschikbare vergunningen, moet er maar geloot worden. In deze vergadering ook veel discussie over het organiseren van een wedstrijd voor de jeugd. De Hr. Obee is sterk tegen maar de vergadering keurt het plan goed om een comité op te richten die gaan regelen dat de jeugd in clubverband wedstrijden gaat vissen. In dit comité zitten de heren Taam, Muller, Vilten, de Moes en Oudejans. Je zou kunnen stellen dat toen de jeugdafdeling geboren is. In de volgende vergadering lezen we dat de voorzitter zijn dank uitspreekt over de perfecte leiding van de jeugdwedstrijd en ik weet dat ik aan die wedstrijd heb meegedaan. De leden hebben vrijwillig een bijdrage van 55gulden bijeengebracht voor de jeugdwedstrijd. In de jaarvergadering van 6-2-1954 worden de Jb. Muller en Jan Obee weer herkozen met de beperking van penningmeester en plaatsvervangend voorzitter Obee dat hij aan wil blijven zolang voorzitter Jan Schouten aanblijft. In de vergadering van 24-3-1954 wordt besloten om een subsidie van 25 gulden aan de jeugdafdeling te geven en bakker Oudejans bedankt namens de jeugd het bestuur. In de jaarvergadering van 22-1-1955 worden enkele belangrijke besluiten genomen. Allereerst wordt er besloten de contributie niet meer maandelijks maar voortaan per kwartaal te innen, dat scheelt de penningmeester veel werk. Voorzitter Jan Schouten deelt mee dat hij om de bekende reden aftreedt. De Hr. Obee bedankt de oud-voorzitter voor het vele werk dat hij tussen 1911 en 1955 voor de club gedaan heeft. Hij stelt voor de Hr. Schouten te benoemen als erelid en de leden zijn het daar unaniem mee eens. Vervolgens wordt de Hr. Maarten van Tiel benoemd als nieuwe voorzitter. Deze stelt dat het moeilijk zal zijn de aftredende voorzitter die 44 jaar ervaring had, goed te vervangen maar hij wil het proberen en ook in dezelfde geest zijn functie uit te oefenen. Tevens wordt de hr. J. Taam, gekozen tot 2e secretaris, mede omdat de 1e secretaris door werkzaamheden nogal eens verhinderd is de vergaderingen bij te wonen. In de volgende vergaderingen komen naast de wedstrijden ook weer de visrechten, het uitzetten van pootvis, de controleurs en de puntentelling aan de orde en dat zijn zaken die de gemoederen nog vaak zullen bezighouden. Begin februari 1956 vindt de jaarvergadering bij Grasboer plaats en ik kan lezen dat er veel werk aan de distributie van de vergunning is, dat er meer en meer op snoek gevist wordt en de jeugdafdeling 40 leden heeft, ik was er een van, en men 25 gulden subsidie krijgt. In de volgende vergadering van 3 juni komt de voorzitter met het voorstel om de oudste jongens van de jeugdafdeling te laten controleren en te schrijven. Dit voorstel wordt met vreugde aanvaard. Soms had je het als jeugdige controleur niet gemakkelijk en hier een voorbeeld. We visten in de Ringvaart en als een visser tussen het riet een baars gevangen had, moest hij roepen en dan kwam de controleur kijken. Ik had barbier Visser in mijn groep en hij riep dat hij een baars gevangen had maar ik zag geen zwarte strepen en vertrouwde het niet. “Ik wil die vis goed zien”, zei ik en toen hij hem na veel mopperen aan me gaf, zag ik dat het een schele pos was en dus niet telde. De barbier zeer kwaad maar ik had gelijk en tijdens de prijsuitreiking kreeg ik toch een glas cola van hem. Een andere truc was om dode baarsjes die langs dreven op te vissen en dan op te geven en ik had al snel een emmertje mee om de dode baarzen later terug te zetten. Later werd een emmertje met water ook verplicht voor de vissers. Door caféhouder, Klaas Veenman wordt een wisselbeker beschikbaar gesteld, het logo van de Amstel Brouwerij vertelt wie de echte sponsor is. Wie deze beker 2 keer achter elkaar of 3 keer in totaal wint, mag hem houden, daarover later meer. In de notulen van 23-2-1957 lees ik dat Arie Hoedje Veenman de wisselbeker gewonnen had en dat de secretaris een mooi jaarverslag gemaakt had. Zowel penningmeester Jan Obee als secretaris Jaap Plukker treden af en stellen zich vanwege hun vergevorderde leeftijd niet herkiesbaar. Ze worden erelid en krijgen voor hun verdiensten een fijn rokertje. P. Oudejans en Henk van Braam komen in het bestuur. Jb Muller wordt de nieuwe penningmeester en Jan Taam de nieuwe secretaris en ik kan dat ook aan het handschrift zien. In de notulen van 1 juni 1957 staat dat er een nieuwe puntentelling is: 1 punt voor ondermaatse baars, 5 punten voor een bovenmaats exemplaar. In deze en de volgende 2 vergaderingen in 1957 komt de moeizame verschaffing van de vergunningen en vooral de snoekvergunning uitgebreid aan de orde. Het lijkt een hele toer om het stempel van de Kamer van de Binnenvisserij op tijd op de vergunningen te krijgen. Op de jaarvergadering van 8 februari 1958 werd dan eindelijk besloten om de contributie vanaf 1 januari 1959 met 5 cent per maand te verhogen, voor een kwartje per maand is men dan lid. Tijdens de vergadering van 17-5-1958 geeft Mejuffrouw Geertje Blauw een diapresentatie over het leven en voortplanten van de vissen en in het bijzonder van de aal. De leden van de jeugdafdeling zijn ook uitgenodigd en ik weet nog dat ik het interessant vond. Er is een brief van de visclub uit Oost-Graftdijk binnengekomen waarin de kampioen van De Hengelaar uitgenodigd wordt mee te doen aan het kampioenschap Zaanstreek-Waterland op de eerste zondag in oktober. Ik had toen nog niet het flauwste vermoeden dat ik mee mocht doen. Als ik op 1-7-1958 de leeftijd van 15 jaar bereik, ben ik officieel lid bij de senioren en mag ik met de baarscompetitie meedoen. In de rondvraag van de vergadering van 6 juli vraag ik naar het aantal wedstrijden en dat zijn er 5. In deze vergadering worden er veel meer snoekvergunningen gevraagd dan er beschikbaar zijn. Maar in de volgende notulen staat dat dit probleem is opgelost doordat de beroepsvissers spontaan voor aanvulling hebben gezorgd. In de jaarvergadering van 14 februari 1959 krijg ik de wisselbeker over het seizoen 1958 uitgereikt en is was zo trots als een pauw. Nu de visclub steeds vaker aan invitatietoernooien meedoet en ook bekers en medailles wint, wordt de behoefte aan een medaillekast groter. Besloten wordt dat enkele handige leden er een zullen maken en blijft dan nog over de vraag in welk café deze kast moet komen te hangen. In deze notulen lezen we ook voor het eerst over het verkrijgen van de Koninklijke Goedkeuring, dit punt zal nog vaak terugkomen. Een hele verbetering is de verplichting dat de vissers een emmertje mee moeten nemen, dit vullen met water en daar de gevangen baarzen in te doen. In de vergadering van 23-5-1959 wordt ook al aandacht besteed aan het 50 jarig jubileum dat op 24 mei 1961 een feit zal zijn. Er komt een feestcommissie en men wil per lid per maand 25 cent sparen. Het nieuwe controlesysteem waarbij de baars in een emmertje bewaard wordt, bevalt prima. Zo eindigen dan ook de notulen uit de 50er jaren en ga ik straks verder met de notulen van 30 januari 1960.
Groter groeien en het 50 jarig jubileum
Voordat ik er erg in heb, zijn we al weer bij het volgende decennium beland en ik bedenk me nu dat ik in deze periode heel veel baarswedstrijden gevist heb. Niet alleen de clubwedstrijden mogen zich verheugen in een grote opkomst, in 1960 was de opkomst voor de baarswedstrijden 46, 44, 45, 46 en zelfs 51 leden en dan heb je een lang parcours nodig. Het zijn niet alleen de clubwedstrijden die veel deelnemers trekken, ook de uitwisselingswedstrijden met andere clubs en de diverse vrije baarswedstrijden trekken veel baarsvissers aan. Ik leerde zo op jonge leeftijd veel goede stekken kennen en dat gold ook voor de etablissementen met volledige vergunning waar je samen kwam en waar je dan ook vaak een uurtje moest wachten op de prijsuitreiking, dat was gezellig! Omdat ik de jongste was, nog geen brommer had en altijd nog wel in een auto gepropt kon worden, mocht ik meestal zonder kosten mee en mijn vaste vismaten waren vooral Hoedje, Willem, de Bakker, van Braam en Ek Taam.
Met de inkomsten en uitgaven van 1960 eindigt het oudste geredde kasboek en ik prijs me gelukkig dat ik ook het kasboek dat van 1961 tot 1977 het reilen en zeilen van de club laat zien, heb kunnen redden. Vanaf dit moment heb ik zowel het kasboek als de notulen beschikbaar om informatie uit op te vissen en komen de notities uit de notulen naast en tussen de financiële gegevens te staan. Zo vind ik in de notulen van de jaarvergadering van 30 januari 1960 dat de jeugdige Jan Eggers opnieuw kampioen geworden is en nu de wisselbeker mag houden en ook nog een medaille krijgt. Omdat we snel groeien, komen we vergunningen tekort en er worden 65 jaar- en 20 snoekvergunningen bij de beroepsvissers aangevraagd. In de volgende vergadering wordt de feestcie. voor het 50 jarig jubileum samengesteld en die bestaat uit 8 personen met penningmeester Jb. Muller en Jaap Kaptein als contactpersonen. De Koninklijke Goedkeuring komt ook weer aan de orde. De voorzitter zet het belang hiervan, vooral in verband met het terugkrijgen van de visrechten van het Rijper water, nog eens uiteen en krijgt vrij mandaat dit verder te regelen. Het is nog steeds zo dat er geen vast rooster van de wedstrijden is. Op een ledenvergadering worden datum, plaats, aaskeuze en tijdstip van de komende wedstrijd(en) bepaald en er komt steeds meer weerstand hier tegen. Omdat er steeds meer vrije wedstrijden en concoursen komen, is het gemakkelijker om een vast wedstrijdrooster te hebben zodat men weet waaraan men wel en niet kan deelnemen. De kampioenswedstrijd van Zaanstreek-Waterland wordt altijd op de eerste zondag in oktober gehouden en wordt in 1961 door De Hengelaar georganiseerd. Er wordt een wedstrijdcommissie benoemd waarin o.a. Arie Hoedje, Willem de Bakker en Beel, haast iedereen had een bijnaam, zitting namen. Toon Zomerdijk is de kampioen van 1960 en zal onze club dus vertegenwoordigen op de kampioenswedstrijd. Op de dag dat we 50 jaar bestaan, 24 mei 1961, wordt een ledenvergadering gehouden en wordt het lid J. Noë, als ik me goed herinner was zijn bijnaam Jan Teel, benoemd tot erelid omdat hij vanaf de oprichting lid is, een unicum! Verder komt er een verzoek het water van de Zuiddijk uit te baggeren. Dit geeft zoveel problemen in de gemeenteraad dat het voorlopig wel niet zal gebeuren, jammer. Ook worden de nieuwe statuten en huishoudelijk reglement goedgekeurd, dit alles in het kader van de Koninklijke Goedkeuring. In 1961 heeft de club 146 leden en bij 33 van deze leden vinden we achter hun naam de toevoeging Amsterdam. Het grote voordeel van deze “buitenleden” is dat ze hun jaarlijkse contributie van 3 gulden zonder uitzondering in een keer voldoen. De penningmeester gaat nu een keer per 3 maanden de lokale leden langs om de contributie van 75 cent op te halen. Je ziet trouwens steeds meer leden die hun bijdrage voor het hele jaar voldoen, ze konden toen nog niet telebankieren. In 1961 bestaat De Hengelaar 50 jaar en dat feest wordt goed gevierd in de achterzaal van café Blokdijk. Ik kan het me nog heel goed herinneren en het feestprogramma heb ik nooit weggegooid en het is nu een bron van informatie. In het kasboek kom je ook heel wat gegevens over de kosten en wat men voor dit feest gespaard had tegen. Onder de noemer “Feest 50 jarig bestaan” vinden we de grootste kostenpost, zijnde Fl. 913,28. Ondanks deze forse jubileumuitgaven is er in 1961 een batig saldo van Fl. 620,06. Ondanks dit positieve saldo wordt de contributie in 1962 verhoogd naar 4 gulden per jaar en de meeste leden betalen 1 gulden per kwartaal. In de notulen van de jaarvergadering van 14-2-1962 komt het 50 jarig jubileum nog een keer uitgebreid aan de orde. Iedereen die aan het welslagen heeft meegewerkt wordt nog een keer bedankt en wordt ook de kampioen van 1961, Henk Klompenmaker, in het zonnetje gezet. Bestuurslid Jb. Timmer, aan wie ik heel goede herinneringen heb, treedt om gezondheidsredenen af en zijn zoon Jan, Beel, Timmer wordt als nieuw bestuurslid gekozen. De subsidie aan de jeugdclub wordt verhoogd naar Fl. 35, -.Op het einde van 1962 mocht de penningmeester niet mopperen want het batig saldo over dat jaar was bijna 1000, - gulden. Er zijn in 1962 nu 151 leden en daarvan dragen er niet minder dan 10 de naam Taam, het is zowat een heel nest, zou je denken. In 1963, zeg maar na de strenge winter met veel vissterfte, wordt de animo voor de baarswedstrijden minder, gemiddeld 28 leden die mee doen. Er worden gratis visvergunningen aan bejaarden verstrekt en we zien dat er in de herfstmaanden veel dagsnoekvergunningen verkocht worden en ze kosten een gulden per stuk. De puntentelling wordt ook weer eens veranderd en is nu als volgt: ondermaatse baars 5 punten, bovenmaats 15 punten en 1 punt voor alle overige vissen. We doen als club zowel mee aan een aantal viswedstrijden in de buurt als aan de sportweek. Verder gaan we zelf een jaarlijks terugkomende driekamp met Spijkerboor en Schermerhorn organiseren. Toon Zomerdijk zou graag een wedstrijdrooster voor het gehele jaar zien en een goede aanzet zou zijn door op elke 2e zondag van de maand een wedstrijd uit te schrijven. De Koninklijke Goedkeuring komt ook weer ter sprake en er zit weinig schot in. Ook niet echt positief is de opkomst bij de jaarvergadering van 25 februari 1963: 5 bestuursleden en 12 leden. Vermoedelijk zijn sneeuw en ijs daar mede debet aan want het was nu eenmaal een barre winter. Uw schrijver zat in die tijd in militaire dienst en bleef onder het mom dat de verbindingen slecht waren regelmatig thuis. Ik ging dan met de Poolse jood Nic. Molenaar mee om bijten rondom de fuiken te hakken en deze te lichten. Ik zal het eerlijk zeggen: ik wist niet dat er zoveel paling tegelijk in een fuik kon kruipen. Telkens weer ging de bakfiets vol met kuipen levende aal naar een paar karen in het diepere buitenwater waar de kans op sterfte minder groot was. Omdat wij destijds in de Rechtestraat 75, vlak achter de sluis, woonden, heb ik met eigen ogen de tonnen dode vis gezien, een stinkende massa, en toen heeft de visstand in de Eilandspolder een beste klap gekregen. Gerard Taam Gz., beter bekend als Ekkie, werd met slechts 34 baarsjes kampioen van 1962 en mocht een jaar op de mooie wisselbeker, een paar jaar eerder geschonken door kastelein Henk Oudejans, passen. Jb. Timmer wordt in deze vergadering benoemd als erelid en dat is de laatste informatie die ik uit het tweede notulenboek heb gehaald, op naar het 3e boek. Het nieuwe boek begint met de notulen van de ledenvergadering van 22 mei 1963 waar 25 leden aanwezig zijn. De voorzitter spreekt de wens uit dat ondanks de zeer strenge winter met veel vissterfte de vangsten in het nieuwe seizoen mogen meevallen. Omdat er veel snoek dood gegaan is, vreest het bestuur een grote afname in de verkoop van snoekvergunningen en dat is weer slecht voor de kas. Men komt met het voorstel dat wie dit jaar een snoekvergunning afneemt er ook zeker van kan zijn dat hij in de volgende 3 jaar ook zonder te loten of zo verzekerd is van een snoekvergunning. De vergadering vindt het een prima voorstel en gaat unaniem akkoord. Men stelt nu ook de data voor de 4 roosterwedstrijden vast en ook de data voor diverse uitwisselingswedstrijden waaronder die tegen de visclub Puttersvreugd uit Venhuizen. Die wedstrijd werd mijn eerste, ook zeer positieve, kennismaking met de visserij in de kleipolders waar ik nu woon. De Hr. van Houwelingen wordt met algemene instemming benoemd tot erelid. Financieel gezien was 1963 een goed jaar met een batig saldo van Fl. 1165,47 en ik herken de handtekening van mijn vader als lid van de kascontrole cie. Was het vroeger zo dat de inkomsten van de club voor het overgrote deel bestond uit contributie, anno 1963 en ook komende jaren is het de verkoop van de diverse vergunningen die geld in het laatje brengt. Dat De Hengelaar steeds meer “buitenleden” kreeg, was me bekend. Maar als ik de grote hoeveelheden dag- en weekvergunningen voor 1963 zie, respectievelijk 301 en 65, en ook nog 50 snoekvergunningen en eenzelfde aantal dagsnoekvergunningen, weet ik dat de Eilandspolder geliefd was bij vele sportvissers. Het handschrift van penningmeester Muller wordt er midden 60er jaren niet duidelijker op en ik realiseer me nu dat hij toen al rond de 75 jaar was. Waarschijnlijk had hij veel meer werk aan het hele gebeuren dan nu want er waren nog geen computers. Wat ook opvalt, is dat nog steeds dezelfde middenstanders, die meestal niet mee vissen maar wel lid zijn, de prijzen leveren en de verdeling 50 % hengelspullen en 50% huishoudelijke artikelen gehandhaafd blijft. Tijdens de jaarvergadering van 13-2-1964 worden A. Veenman, Hoedje, en Jan Taam Gz. , Tom Poes, in het bestuur gekozen. Op de volgende vergadering van 25 mei wordt besloten om vanwege de teruglopende animo voor de wedstrijden de aanvangstijd vast te stellen op 09.00 uur en niet meer op zondagmorgen vroeg. De puntentelling wordt ook weer veranderd: ondermaatse baars 1 punt, bovenmaatse exemplaren 5 punten en andere vissoorten tellen niet. Kampioen wordt degene die de meeste baarzen gevangen heeft. Ook wordt besloten dat 4 van de 5 wedstrijden tellen en men dus de slechtste wedstrijd mag aftrekken. Op 17 maart 1965 is er weer een jaarvergadering in het café van G. Grasboer. Ekkie Taam was de kampioen van 1964 en mocht een jaar op de beker passen. De puntentelling beviel toch niet en men ging terug naar de situatie van 1963, dus witvis 1 punt, ondermaatse baars 5 punten en maatbaars 15 punten. Ik neem aan dat daar in de komende jaren wel weer verandering in zal komen. De voorzitter deelt mede dat de aanvraag voor de Koninklijke Goedkeuring verstuurd zal worden, nog even geduld graag. Op 1 maart 1966 bezoeken maar liefst 44 leden de jaarvergadering en de voorzitter is daar blij mee. Besloten wordt de subsidie aan de jeugdclub te verhogen naar Fl. 45, - per jaar. De 5 data voor de roosterwedstrijden worden vastgesteld en Ekkie Taam is wederom kampioen geworden en mag de wisselbeker nu definitief houden. Bij het agendapunt rondvraag wordt het langzamerhand traditie dat Dirk Polman vraagt hoe de stand van zaken is met de Koninklijke Goedkeuring, zo ook deze vergadering. De voorzitter geeft het eerlijke antwoord dat er wegens drukke werkzaamheden nog niet aan toe gekomen is, wordt vervolgd. Op 25 mei 1966 is de volgende vergadering en er is een grote opkomst en dat zal wel te maken hebben met de opgave van de snoekvergunningen waar de vraag groter is dan het aanbod. Penningmeester Muller verzoekt de leden die weinig op snoek vissen een aantal dagsnoekvergunningen te nemen zodat de jaarvergunningen voor de echte snoekvissers beschikbaar blijven. Besloten wordt dat de aanvragers die geen snoekvergunning van de club krijgen, er een bij de beroepsvissers kunnen kopen. Die zijn wel duurder maar de visclub betaalt het verschil terug, een goede service. Jan Eggers jr. zag graag dat de tekst op de snoekvergunning aangepast werd aan de Visserijwet. Ook wil hij op een volgende vergadering wel een voordracht geven over het vissen op snoek met kunstaas en de leden zijn daar unaniem voor. Er worden geen peurvergunningen voor de haven uitgegeven, jammer voor aanvrager C. Konijn. Ook wordt besloten de puntentelling weer te veranderen, de notulen vermelden helaas niet wat de verandering is. De medaillekast is alweer te klein, we winnen nog al wat prijzen tijdens de vele concoursen, P. Schouten wil wel een grotere kast maken.
In 1965 betalen we Fl. 799, - pacht aan de beroepsvissers en een jaar later is dat al opgelopen tot Fl. 910, -. Bij de uitgaven van 1966 zie ik voor het eerst de post motorboten Fl. 5, - en dat betekent dat men per motorboot op de Miewijdt of het Kruiswerk een wedstrijd is gaan vissen. Wat verder opvalt in het kasboek zijn de vele posten van verkochte vergunningen. Ik tel voor 1966 bijna 50 posten van door de penningmeester verkochte en geleverde vergunningen, variërend van 300 tot 1 vergunning per transactie. In 1966 waren er 197 betalende leden waarvan nu een groot aantal buiten De Rijp en ook een groot aantal nieuwe leden uit de nieuwbouw. In de notulen van 3 maart 1967 lees ik dat ik in 1966 voor de derde keer kampioen geworden ben en weer een jaar op een mooie nieuwe, Ekkie Taam had de vorige definitief gewonnen, wisselbeker mag passen. Een moeilijk punt van deze vergadering was het feit dat een van de vaste controleurs van de laatste jaren, Tom Poes, had besloten te stoppen als controleur en weer mee wilde doen met de wedstrijden. Tom Poes wordt in deze vergadering ook benoemd als secretaris. Hij volgt zijn naamgenoot en oom, Jan Taam van de Wolbaal op die is overleden en met een minuut stilte wordt herdacht. De andere controleur, mijn grote vriend Hoedje, Arie Veenman met echte naam, wilde het wel alleen doen maar dan moest iedere visser wel een emmertje meenemen. Geen emmer mee, dan niet meedoen. “Als je gaat vissen, vergeet je ook je hengel niet, en waarom je emmer wel?” was de simpele redenering van Hoed. Natuurlijk kwam de bekende vraag over hoe het staat met de Koninklijke Goedkeuring op het einde van de vergadering nog aan de orde. De voorzitter garandeerde dat die de volgende jaarvergadering in ons bezit zou zijn. Als ik in het kasboek ga kijken bij de gegevens van 1967 zie ik dat er iets aan de hand is. Het handschrift verandert, er is een soort tussentijdse balans in maart opgemaakt met als opmerking: Kasverschil 8 gulden, nog op te lossen. Daarna het vervolg in een totaal ander handschrift dan van penningmeester Jb. Muller. Deze heeft op 28 februari zijn laatste notitie: Jb. Muller, Bode/Penm. 10% van Fl. 498, - = Fl. 49,80 in het kasboek genoteerd. Ik vermoed dat deze prima penningmeester is overleden of plotseling afgetreden en dus eerst maar even in de notulen van 19 mei 1967 kijken. Daar lees ik dat de penningmeester op 75 jarige leeftijd is overleden en dat het een groot verlies voor de club is. Van het moment dat ik jeugdlid werd tot zijn overlijden heb ik veel met Jb. Muller te maken gehad. Hij was de inspirator van het jeugdgebeuren, regelde alles op vergunningengebied en ik heb hem wel eens geholpen met het innen van de contributie en de uitgifte van vooral de snoekvergunningen. In mijn ogen was hij het werkpaard van De Hengelaar en vooral een praktijkman. In deze vergadering stelt Cees van Straaten zich beschikbaar als nieuw bestuurslid die zich vooral met de jeugdafdeling wil bezig houden. Ik weet dat Eddy Vilten Pz. de volgende penningmeester is geworden maar vreemd genoeg ben ik zijn benoeming niet tegengekomen in de notulen. In de volgende jaarvergadering van 15 maart 1968 wordt een minuut stilte gehouden voor het overleden, in de notulen staat echter “overlevende”, erelid en oud-penningmeester Jan Obee. Jan Eggers Jr. wordt gehuldigd als de kampioen van 1967 en mag de wisselbeker nu definitief houden. Omdat er een klein nadelig saldo was, besluit men de contributie te verhogen, was 4 gulden per jaar en wordt 6 gulden per jaar. Waarschijnlijk was Dirk Polman niet aanwezig want ik vind geen vraag over de situatie met de Koninklijke Goedkeuring en de voorzitter heeft ook niet gemeld dat dit rond is, zoals een jaar geleden beloofd! Dit punt komt in de volgende jaarvergadering van 7 februari 1969 wel aan de orde en de voorzitter deelt mede dat deze zaak praktisch rond is en het bestuur nog enkele handtekeningen moet zetten en de acte tekenen, wordt vervolgd. In deze vergadering zijn er niet minder dan 12 leden die iets voor de rondvraag hebben. Belangrijkste punt is de verandering van de puntentelling. Ondermaatse baars telt nu 5 punten en bovenmaatse baars 25 punten. Ik weet echter een ding zeker: welke puntentelling men ook invoert, het zijn bijna altijd dezelfde vissers die meeste prijzen winnen. Belangrijk is de beslissing van de vergadering van 23 mei 1969 om als vereniging weer lid te worden van de A.H.B., de grootste landelijke hengelsportorganisatie. Ook komt er nu bij het begin van het seizoen een kaart met daarop alle roosterwedstrijden en de concoursen waar men aan mee doet. Dat bespaart de secretaris veel tijd met het anders steeds maar rondbrengen van de convocaties voor iedere wedstrijd. Op een vraag van een lid hoe het staat met de Koninklijke Goedkeuring wordt algemeen besloten deze aan te vragen zodat de vereniging als rechtspersoon kan optreden. Laat ik nu al jaren denken dat dit al aangevraagd was??? Tenslotte nog even een blik werpen op de financiën van 1969 en dan is de verslaggeving over de jaren 60 ook weer verleden tijd. De inkomsten en uitgaven in dit jaar waren zo rond de Fl. 3500,- en het batige saldo was Fl. 59,36 en ik tel niet minder dan 240 leden, we zijn echt groter gegroeid.
Als A.H.B. lid de 70er jaren in
Op 27 maart 1970 wordt de jaarvergadering gehouden en er wordt behoorlijk gediscussieerd over de toetreding tot de A.H. B. omdat de contributie verhoogd dient te worden met 3 gulden. Toch vindt de meerderheid van de leden de aansluiting een goede zaak. De kampioen van 1969 wordt gehuldigd maar wie dat is, staat niet in deze notulen. We lezen nu ook voor het eerst dat een deel van het water in de Eilandspolder aan Staatsbosbeheer verkocht is en de voorzitter stelt dat het visrecht niet verkocht kan worden. Hier zal ook het laatste woord nog niet over gesproken zijn. De Hr. Durivou wil graag een diapresentatie houden over vliegvissen en het vissen met kunstaas. De voorzitter vindt dat goed als het maar in samenwerking gaat met Jan Eggers Jr. Waaraan en waarom het in samenwerking met mij diende te gebeuren, weet ik niet zo precies meer. Wel weet ik dat ik in die periode actief met kunstaas op roofvis viste en vrij goed wist wat er bij bestuur en leden van de club speelde. Doordat De Rijp groter groeide, kwamen er steeds meer leden vanuit de nieuwbouw. Deze vissers hadden andere ideeën over het vissen en een visclub en vonden o.a. dat het bestuur veel te veel met de baarswedstrijden bezig was en de voor hen interessante zaken veelal links lieten liggen. In de volgende vergadering van 29-5-1970 deelt Jan Eggers Sr. , mijn vader dus, mee dat hij gehoord heeft dat Staatsbosbeheer in 1971 vergunningen gaat uitgeven voor hun water in de Eilandspolder. De voorzitter heeft hier nog niets over gehoord, is verbaasd en zal er zo spoedig mogelijk achter aan gaan. De penningmeester deelt mee dat hij 170 leden heeft opgegeven als A.H.B. lid en deze betalen dan 3 gulden extra per jaar. De Hr. Durivou gaf gedurende een uur deze avond voorlichting over het vliegvissen. Op 19 februari 1971 komen het voltallige bestuur en 33 leden bijeen voor de jaarvergadering. De kascontrole cie. deelt mede dat de financiën keurig op orde waren en er een positief saldo van Fl. 379,75 over 1970 te noteren viel. Ondergetekende was de kampioen van 1970 geworden en zou daar in de rondvraag nog op terugkomen. De bestuursleden Henk Klompenmaker en Eddy Vilten stellen zich niet herkiesbaar en in hun plaats worden Hans de Jong en A. van Dongen gekozen. De hamvraag wie er penningmeester zal worden, wordt opgelost door bestuurslid Jan Timmer die deze taak wel op zich wil nemen. De puntentelling wordt ook weer eens aangepast, volgens de voorzitter om de wedstrijden aantrekkelijker te maken voor nieuwe leden uit de nieuwbouw. Een ondermaatse baars telt voor 10 punten, een bovenmaatse voor 50 punten en andere vis voor 1 punt. In de rondvraag komt deze kersverse kampioen met de vraag of hij volgend jaar zijn beker nog wel verdedigen kan omdat ik in mei 1971 naar Bovenkarspel ga verhuizen en ook niet meer met de kampioenswedstrijd van Zaanstreek – Waterland mee zou mogen doen. De leden vinden dat ik mijn beker wel mag verdedigen en ook met de kampioenswedstrijd mee mag doen als ik als niet-Rijper weer kampioen zou worden. Bij de volgende vergadering op 21 mei wordt er allereerst gesproken over het feit dat de vereniging 60 jaar bestaat. Dit zal sober gevierd worden om de kas niet teveel te belasten en er komt een gezellige middag in café Stoop in Graft voor de leden die voor 1932 al lid waren. Er wordt niet alleen voor de oudste leden iets georganiseerd want er komt ook iets leuks voor de jeugdleden en de penningmeester trekt daar150 gulden voor uit. Een minder prettige verrassing was dat er achter op de vergunning staat: Verboden te vissen in het water van Staatsbosbeheer. Het bestuur dacht dat daar goede afspraken over gemaakt waren en er geen vuiltje aan de lucht zou zijn. Ze voelen zich aardig in de maling genomen. Een blik in het kasboek van 1971 laat zien dat er in juni bij het Scheepvaarthuis een nieuwe toeter van Fl. 8,45 gekocht is en daar kan controleur Hoedje zich dan weer op uitleven. Het 60 jarig feest zou sober gevierd worden maar al met al bedragen de uitgaven voor de diverse festiviteiten toch nog bijna Fl. 1000, - . Aan giften voor dit jubileum ontvangt men een bedrag van Fl. 125,-. Er zijn in 1971 bijna 250 leden en die uit De Rijp staan keurig per straatnaam en huisnummer gerangschikt. Zo lees ik dat ik op Heikeshof 43 woon maar in mei 1971 ben ik verhuisd naar Bovenkarspel. Door de uitwisseling met de visclub in Venhuizen had ik daar al de nodige contacten en werd ik meteen maar lid van Puttersvreugd. Wel bleef ik, tot ongenoegen van mijn vrouw, de wedstrijden in De Rijp bezoeken, simpelweg omdat er rond Bovenkarspel niet op baars gevist werd. Een paar jaar later werd ik lid van de visclub in Bovenkarspel en heb daar het baarsvissen geïntroduceerd. Met succes want we haalden vele prijzen op de grote concoursen en zelf werd ik diverse keren federatiekampioen baars. Het ledental van de Hengelaar groeit nog steeds snel en stonden de leden in 1971 nog netjes per straat in het grote kasboek, in 1972 is dat totaal anders. Als gevolg van het betalen per giro staan ze nu in alfabetische volgorde en ik tel 276 leden waaronder 6 ereleden te weten: Piet Beumer, ik neem aan dat dit Bruine Piet was, Piet Berkhout, zeg maar de oude Kras, Dirk Polman, Jb. Plukker, Piet de Rijke, die in nooit heb zien vissen, en M. Visser en dat moet de barbier zijn. Maar laat ik het maar eerlijk zeggen vanaf dit jaar wordt het steeds moeilijker voor me het reilen en zeilen van De Hengelaar met dezelfde intensiteit als daarvoor te volgen. Er komen zoveel nieuwe leden en ook bestuursleden die ik niet persoonlijk ken. Het bijwonen van wedstrijden en vergaderingen wordt door de 40 km afstand en het feit dat ik zelf bestuurslid van de visclub in Bovenkarspel en van de Federatie “De Noordkop” word langzamerhand al minder. Maar ik blijf wel lid van De Hengelaar. Tijdens de slecht bezochte jaarvergadering van 21-1-1972 wordt er eerst een moment stilte gehouden voor het overleden erelid P. van Houwelingen en kapper Piet Vilten die ook altijd heel actief was. Een minder vrolijk punt was ook het verbod om niet te mogen vissen in het water van Staatsbosbeheer. Een delegatie van het bestuur heeft hierover gesproken met Burgemeester en Wethouders evenals functionarissen van SBB maar dit heeft niets opgeleverd. Men heeft nu de A.H.B. ingeschakeld en wachten geduldig af. De penningmeester heeft over 1971 een nadelig saldo van Fl. 565,23 en dat komt vooral door de kosten van het 60 jarig jubileum. Het etentje en gezellig nazitten met de leden die langer dan 40 jaar lid zijn, kostte meer dan gepland maar de vergadering had daar geen problemen mee. Deze oudgedienden zijn allemaal erelid geworden. Ook wordt de puntentelling weer eens gewijzigd, dit onder het mom het aantrekkelijker te maken voor nieuwe leden, maar ik betwijfel dat nog steeds. Een maatbaars levert 50 punten op, een baars tussen 18 en 22 cm krijgt 25 punten, een ondermaatse baars 10 punten en andere vissen 1 punt. De notulen van 24 mei 1972 leveren weinig nieuws op en er is geen nieuws over het vissen in SBB water. Als op 23- 2- 1973 slechts 21 leden de jaarvergadering bijwonen kan de penningmeester weer een batig saldo aankondigen: Fl. 364,30. Tot mijn verrassing lees ik dat ik in 1972 als niet-Rijper kampioen geworden. Ik ben daarna in mijn plakboek gaan snuffelen en kom tot de conclusie dat het in 1972 een zeer spannende competitie geweest is. Ik eindigde gelijk met Ekkie Taam en we moesten een barrage vissen in de Tuingracht. In de eerste sessie van 10 minuten vingen we ieder een baars en in de volgende 10 minuten niks. Wie daarna de eerste baars ving, was kampioen en ik was de gelukkige. Ik heb heel wat wedstrijdjes met Ekkie aan de waterkant uitgevochten en we vissen nog wel eens samen. Nee, niet op baars maar op snoek en vooral snoekbaars. Rest me nog te vermelden dat mijn vader in dit jaar op de 3e plaats eindigde. Ik durf te zeggen dat hij destijds een nog fanatiekere baarsvisser was dan ik en ik ben blij dat ik hem 13 jaar eerder heb leren baarsvissen. In de notulen van de jaarvergadering van 22-2-1974 lezen we dat Tom Poes, Jan Taam dus, kampioen was, Jan Taam Jz was 2e en Ekkie en Kees Taam, De Rijp, werden gedeeld 3e. Een “betamelijk zaak”. Er komt nog een extra beker voor deze 3e plaats. Er werden dit keer ook bekertjes uitgedeeld voor de grootste karper, snoekbaars, brasem en baars, noem het een soort Kanjerkoning competitie. Ondergetekende kreeg ook nog 2 andere bekers, een voor het kampioenschap witvis en een herinneringsbeker als kampioen 1972. Punten die in deze vergadering net als in veel andere bijeenkomsten steeds weer terugkomen zijn: baggeren, vooral van het water langs de Zuiddijk, subsidie voor de jeugd, puntentelling en een aanvulling van het programma met snoek-, snoekbaars, karper- en zeeviswedstrijden. Vreemd genoeg kom ik het punt Koninklijke Goedkeuring niet meer tegen en ook de vraag om de visrechten van het Rijper water wordt minder. De ledenvergadering die meestal voor de opening van het seizoen wordt gehouden, lijkt minder noodzakelijk te zijn en veel leden blijven thuis. Tijdens de jaarvergadering van 28-3-1975 worden eerst het overleden erelid M. Visser, de barbier, en Frans Jonkhart van Afdeling XI uit Purmerend en drijvende kracht van de kampioenswedstrijd met een korte stilte herdacht. Voorzitter Maarten van Tiel had aangekondigd om gezondheidsreden af te treden en als nieuw bestuurslid werd Cees de Vries gekozen. Als nieuwe voorzitter werd vicevoorzitter Hans de Jong gekozen en hij bedankte de oud-voorzitter in een korte toespraak. Toen Maarten van Tiel in 1955 voorzitter werd, waren er 55 leden, nu hij stopt zijn dat er 317 geworden. Naast cadeaubonnen kreeg hij ook nog de ruim 60 jaar oude historische toeter met inscriptie en benoemd als erelid. Hier na werd een belangrijke beslissing genomen: de visclub werd lid van hengelsportfederatie Midden Noord-Holland. In de ledenvergadering van 12 september worden vooral zaken die met de wedstrijden te maken hebben op het scherpst van de snede besproken en het wordt tijd dat diverse punten in een huishoudelijk reglement geregeld gaan worden. In de jaarvergadering van 6 februari 1976 geeft bestuurslid A. van Dongen, die als ik me goed herinner ook gemeentesecretaris was een uiteenzetting over de overeenkomst met de gemeente over de pacht van het Rijper viswater. Ook werd de vergadering het eens over enkele bepalingen die in een nieuwe huishoudelijk reglement moeten komen. Men wacht nog even tot er een voorbeeld van de Federatie is. Cees de Vries neemt het penningmeesterschap van Jan Timmer over en als laatste punt komt de puntentelling aan de orde. Om het baarsvissen geen geweld aan te doen, wordt besloten niets te veranderen. Omdat er over de volgende vergadering weinig nieuws te melden was, meteen maar over naar de jaarvergadering van11-2-1977. Ik denk dat het belangrijkste nieuws was dat het niet echt soepel loopt bij de jeugdafdeling en de Hr. Lodewijks wil de kar wel gaan trekken en krijgt van het bestuur vrij mandaat dit goed op poten te zetten. Verder had de voorzitter het aantal wedstrijden dat de club organiseert eens geteld en kwam tot 24 wedstrijden en dat geeft veel vrijwilligerswerk. Jan Taam Jz. was de kampioen van 1976, op de voet gevolgd door Jan Taam Gz., beter bekend als Tom Poes. Slechts 5 bestuursleden en 9 leden waren aanwezig op de ledenvergadering van 26-8-1977 en de thuisblijvers hadden min of meer gelijk want er is weinig te melden van deze bijeenkomst. Het grote probleem is waar we moeten vissen want in de eigen polder wordt slecht gevangen. Vandaar dat er zelfs een roosterwedstrijd in de wateren rond Abbekerk gevist gaat worden. Met een voltallig bestuur en 20 leden begon de jaarvergadering van 17 februari 1978. Na een minuut stilte ter gedachtenis aan erelid Piet Berkhout en lid Mozes de Jong, de vader van de voorzitter, werd punt 9 van de agenda naar voren gehaald: bestuursverkiezing. Hans de Jong stond de voorzittershamer af en Cees de Vries en de positie van penningmeester werd overgenomen door John van Reijn. Willem van Braam stopte na 11 jaar als bestuurslid en voor hem werd G. van Loon in het bestuur gekozen. Tom Poes bleef gewoon aan als secretaris. Er was over 1977 een batig saldo van Fl. 590,59 en er kwamen 55 nieuwe leden bij. Kampioen van het afgelopen jaar was onze secretaris Jan Taam, Jos Taam op de 2e plek en Ekkie Taam werd 3e. Ja, het was weer alles Taam wat de klok sloeg. Er werd een voorstel ingediend om het aantal maatse snoekbaarzen dat men mee mag nemen te beperken en gevangen snoek dient men zonder meer direct terug te zetten. Uit de notulen van de laatste jaarvergadering van de 70er jaren pik ik nog deze krenten: Jos Taam krijgt een compliment voor het opknappen van de prijzenkast. De visclub organiseert nu volledig het damesvissen met de kermis. Penningmeester van Reijn trad af en werd opgevolgd door mijn vader die het best een leuke baan vond. De puntentelling werd ook weer gewijzigd: kleine baars 1 punt, baars van 18 – 22 cm is 2 punten en maatbaars 3 punten. Er komt ook een snoekbaars competitie van 4 wedstrijden en de slechtste mag men aftrekken. Op deze vergadering wordt de 86 jarige Ome Cor Zomerdijk, die nog steeds mee vist, tot erelid benoemd. Ekkie Taam vindt het uitkeren van bodegeld uit de tijd, de vorige penningmeester wilde het niet hebben en ook de nieuwe penningmeester accepteert het ook niet. Tenslotte stelt Hoedje voor dat er tijdens de vergaderingen niet meer gerookt mag worden, iedereen is akkoord. Waarschijnlijk is er in 1979 niet meer vergaderd want de volgende notulen zijn die van de jaarvergadering 1980. Het kasboek dat ik bezit eindigt op 6 februari 1976 met de post Onkosten vergadering Fl. 91,75. De penningmeester heeft op 12 januari 750 gulden van de bank gehaald om op 13 februari 605 gulden aan de federatie te betalen. Nu gaat dat even sneller met telebankieren. Daarmee staan de belangrijkste zaken van de 70er jaren ook op papier en ga ik over naar de notulen uit het volgende decennium.
De 80er jaren op afstand bekeken
Ik vermoed dat de meeste zaken die ik nu in de notulen uit de periode 1980 – 1990 tegen ga komen nieuw voor me zijn. De reden is heel eenvoudig: ik had het gewoon veel te druk met andere zaken. Maar goed, ik zal toch proberen een zo interessant mogelijk overzicht over dit tijdvak te maken. Begin 1980, de datum staat niet vermeld, wordt de jaarvergadering gehouden en 32 leden wonen deze vergadering bij. Het bestuur heeft een verzoek bij het hoogheemraadschap Het Lange Rond ingediend om de sloten langs de Zuiddijk uit te baggeren. Een ander uitgaand stuk is een brief aan het gemeentebestuur over de visrechten in de Eilandspolder. De penningmeester kan een batig saldo van rond de Fl. 1000, - melden en de financiële situatie is zeer gezond. Jos Taam werd kampioen in 1979, gevolgd door J. Eggers Sr. en Jan Taam. Niet alleen de puntentelling bleef hetzelfde, ook het grote wedstrijdprogramma veranderde niet. Er komt een feestcommissie om het 70 jarig jubileum van volgend jaar te regelen. Er komen steeds meer klachten over bootjes met veel pk’s die de rust in de polder verstoren. De notulen van 6-6-1980 gaan vooral over baggeren, de visrechten in de polder en de hoeveelheid beschikbare vergunningen. Omdat ambtelijke molens langzaam malen, is het vooral een kwestie van afwachten. Op 30 januari 1981 vind de jaarvergadering plaats en de voorzitter vraagt een minuut stilte vanwege het plotseling overlijden van penningmeester Jan Eggers Sr. op 18 januari. De 37 aanwezige leden horen vervolgens het goede nieuws dat de sloten langs de Zuiddijk in de winter van 81-82 uitgebaggerd worden. De top 3 van het kampioenschap 1980 was weer een Taam aangelegenheid met Jos, Ekkie en Tom Poes op het podium. Cas Riechelman nam de open plaats van Eggers Sr. in het bestuur in en Arie Hoedje werd benoemd als penningmeester. Er hadden zich al 100 leden opgegeven voor de feestavond en men verwacht er nog meer. De feestcie. verzocht de vergadering een bedrag van Fl. 1000,- voor dit feest beschikbaar te stellen, dit verzoek werd onder applaus gehonoreerd. Besloten werd het invitatie toernooi af te schaffen en een team wedstrijd voor bedrijven en verenigingen in de Tuingracht te houden. Waarschijnlijk is er midden 1981 geen vergadering gehouden want de volgende notulen om nieuws uit te halen zijn van de jaarvergadering van 29 januari 1982. Het 70 jarig jubileum is goed verlopen en de feestcie. wordt bedankt door de voorzitter. Wel heeft de penningmeester een nadelig saldo van Fl. 982,54 maar de reden, de feestavond, is bekend. Met nog een bedrag van Fl. 6160,37 in kas is de vereniging financieel nog zeer gezond. Het kampioenschap was wederom een Tamen aangelegenheid, nu in een andere volgorde: Ekkie, Tom Poes en Jos Taam. Belangrijk was ook dat er een nieuwe puntentelling voor de snoek- en snoekbaarswedstrijden werd vast gesteld en een reglement voor de wedstrijd voor bedrijven en verenigingen. Ook komt er een A en een B klasse voor de baarsvissers en men kan dus promoveren maar ook degraderen. Weer geen notulen van een ledenvergadering in 1982 en over naar de jaarvergadering van 21 januari 1983. De voorzitter deelt mee dat in 1986 het pachtcontract met de beroepsvissers afloopt en we stappen zullen ondernemen om de visrechten van het Rijper water in ons beheer te krijgen. Dit punt lokt veel reacties en discussies uit en het geloof in een positieve afloop is niet groot. Ik lees verder dat het baggeren van de Zuiddijk in werking is en er schijnt een subsidie van 70.000 gulden te zijn om het vlotter te doen verlopen. Omdat er goed baars gevangen wordt, besluit men de categorie overige vissen niet meer te tellen. Gezien de vraag van Kees van Zaanen over de slepende kwestie die baggeren heet, neem ik aan dat er nog steeds niet begonnen is met dit project. Misschien dat er iets over te lezen valt in de notulen van de jaarvergadering van 27 januari 1984 en dat is het geval. Er staat letterlijk dat dit punt binnenkort zijn beloop zal krijgen en om zoveel mogelijk subsidie te krijgen, komt er ook een vissteiger voor invaliden. De penningmeester kon een positief saldo van maar liefst Fl. 1173,34 melden en we hebben 443 leden. De zittende bestuursleden Tom Poes, G. van Loon en A. van Dongen werden herkozen. Er werd ook al weer gedacht aan een feestcie. voor het 75 jarig bestaan, suggesties en ideeën hoe dit jubileum te vieren zijn welkom. Tenslotte komt het bestuur met enkele zeer praktische richtlijnen voor de nieuwe viswatercommissie. We gaan naar de jaarvergadering van 25-1-1985 en deze begint met een minuut stilte ter gedachtenis aan ons overleden erelid en oud-secretaris Jb. Plukker. De voorzitter deelt mee dat men nog niet begonnen is met het baggeren van de sloten langs de Zuiddijk omdat men dit project nu meeneemt in het totale ruilverkavelingsplan. Ja, ook op dit gebied is geduld een schone zaak! Penningmeester Hoedje kon een positief saldo van Fl. 1864,68 melden en wist ook nog te melden dat de kosten van de baarswedstrijden 300 gulden hoger zijn dan de inkomsten. Jan Beel Timmer stopt als bestuurslid en zijn plaats wordt ingenomen door Cor Roele. Het gescheiden visrecht, aal voor het beroep en schubvis voor de sport, komt ook aan de orde en we moeten daar nu meer aandacht aan gaan schenken wat betreft de Eilandspolder. Ik lees daar meer over in de notulen van 17-1-1986 want wat in vele voorgaande jaren niet lukte, is nu per december 1985 geregeld. Voor de wateren van Het Lange Rond, SSB en het Rijper water geldt dat de visrechten voor het vissen op aal bij de beroepsvisser, in dit geval de Hr. Butter, en voor de schubvis bij De Hengelaar ondergebracht zijn. Er zijn hier en daar wat kleine uitzonderingen en de sportvisser mag ook op een aaltje blijven vissen. Voor de wateren van SBB en Het Lange Rond gelden gesloten tijdens, voor het Rijper water niet. Er komt ook een pootvisfonds en de er wordt een bedrag van Fl. 1250, - uit de verkoop van vergunningen in dit fonds gestort. De vergadering is blij met dit resultaat en het bestuur krijgt een groot en verdiend applaus. Er is ook applaus voor het ieder jaar weer zeer verzorgde jaarverslag van de secretaris en ik vraag me af en toe af of deze stukken ook bewaard zijn. Er zou zeker leuke informatie uit te halen zijn. Voor de festiviteiten rond het 75 jarig jubileum wordt een begroting opgesteld en het totale kostenplaatje is bijna zesduizend gulden. Aangezien er 14.000 gulden in kas zit gaan de leden akkoord met deze begroting. De notulen van de jaarvergadering van 27-2-1987 vertellen dat de diverse festiviteiten goed verlopen zijn. De penningmeester vond het nadelige exploitatie saldo van 200 gulden best meevallen. Er is minder belangstelling voor het jeugdvissen en men wil dat weer mee promoten. Interessant was dat SBB een overeenkomst met de bond van beroepsvissers had gesloten over het totale visrecht in dat gebied. De Kamer van de Binnenvisserij was van mening dat ook voor dit SBB water het gesplitste visrecht diende te gelden en dat De Hengelaar voor dit SBB water een machtiging voor het vissen op schubvis moet zien te krijgen. Een voorstel uit de rondvraag om voor de komende jaren een begroting op te stellen haalde het niet omdat de voorzitter de inkomsten en uitgaven te wisselvallig vindt. Als ik bedenk dat er in een ver verleden met maar 40 tot 50 leden soms wel 6 keer per jaar een vergadering plaats vond, dan vind ik het een mirakel dat nu met 10 maal zoveel leden een jaarvergadering voldoende is. Alles gaat ook veel gestructureerder dan vroeger en zelfs de heikele punten van destijds, puntentelling, waar en hoe laat en hoe lang te vissen, staan nu voor langere tijd in reglementen. In de notulen van 29-1-1988 lezen we dat we een machtiging hebben voor het SBB water en dat bevalt prima. Er was grote waardering voor het vele werk dat Cor Roele en Arie Hoedje Veenman als gouden koppel verricht hebben en de voorzitter had een leuke attentie voor ze. Er was weinig voor de rondvraag maar natuurlijk wel weer een vraag over de puntentelling voor de snoek en snoekbaarswedstrijden, dat blijft een vast discussiepunt. Tot mijn grote verbazing is er op 15 juli 1988 wel een ledenvergadering en al heel snel had ik de reden van dit vrij unieke gebeuren: penningmeester Arie Hoedje Veenman is plotseling opgestapt. Het bestuur stelt Jos Taam voor als nieuw bestuurslid en niemand is daar tegen. Cor Roele wordt benoemd als nieuwe penningmeester en het bestuur is weer op orde. Kees van Zaanen vroeg daarna aan de voorzitter wat de reden van het bedanken van Hoedje was. Hij kreeg te horen dat Hoedje problemen had met de uitslag van de wedstrijd voor bedrijven enz. Daar was de Rijper IJsclub als 3e geëindigd maar ze hadden volgens Hoedje teveel viswater toebedeeld gekregen. Wat volgens de secretaris die dit verdedigde, niet zo was. Hoedje was het hier niet mee eens, liep kwaad weg en de volgende morgen lag zijn ontslagbrief in de brievenbus van de voorzitter. Een lijmpoging had geen positief resultaat en men vindt het jammer dat hij na 25 jaar in het bestuur gezeten te hebben, op deze manier afscheid neemt. De kascontrole commissie is van mening dat er nu bij het wisselen van penningmeester een controle uitgevoerd dient te worden, ook om de oude en nieuwe penningmeester te beschermen. Ton Wels wil graag dat er karper uitgezet gaat worden maar volgens het bestuur is dit niet nodig en zit er meer dan voldoende karper in de Eilandspolder. Na deze plotselinge ledenvergadering komt weer de jaarvergadering van 27-1989 en niet minder dan 43 leden en het voltallige bestuur wonen deze bij. Bij de ingekomen stukken een brief waarin Ton Wels vraagt waarom er geen vrouwen mee mogen vissen met de wedstrijden. De voorzitter antwoord dat dit door de ledenvergadering al lang geleden zo besloten is. Dit punt wordt nu ook weer in stemming gebracht en de uitslag is 9 leden voor en 34 tegen. Het is nu duidelijk dat we geen vrouwvriendelijke vereniging zijn zoals een tweede vraag luidde. De nieuwe penningmeester deelt mee dat hij volgend jaar met een begroting gaat werken en we dit afgelopen jaar een positief saldo van 900 gulden hadden. Beroepsvisser Gerard Manshanden uit Medemblik gaat de witvisstand uitdunnen en haalt met zijn netten 10.000 kg witvis uit het water. Hij merkt op dat dit slechts het topje van de ijsberg is. Wat opviel was het goede bestand aan karper, ook grote exemplaren boven de 30 pond en verder veel kleine snoekbaars en veel minder snoek. Op 15 mei 1989 is er weer een tussentijdse ledenvergadering waar maar 15 leden op af komen. Ik kan geen reden vinden waarom deze vergadering is uitgeschreven en ook passeren er geen belangrijke onderwerpen de revue en is het alleen bijzonder dat de firma Woestenburg, zeg maar van de Geit, bereid was diverse soorten karper uit te zetten. Aan alles komt een eind, ook aan de informatie die ik over de voorgaande 75 jaar uit de 3 handgeschreven notulenboeken van De Hengelaar heb kunnen vissen. Ik heb nu alleen nog de notulen van de jaarvergadering van 26 januari 1990 om door te spitten en dan zit deze klus er op. Ik zal de komende dagen de huidige voorzitter eens bellen en hem deze 37 pagina’s op A-4 formaat mailen met daarbij de vraag of de laatste 20 jaar geschiedenis van de club ook nog op papier moet komen? Laat ik eerlijk zeggen dat ik het een leuke klus vond, temeer vanwege de grote persoonlijke herkenbaarheid van een groot deel van deze 100 jaar. Of men iets wil gaan doen met dit verslag, laat ik aan het bestuur van De Hengelaar over maar ik neem aan dat veel, en dan vooral de oudere leden geïnteresseerd zijn in het reilen en zeilen van hun cluppie. Ik zal me daar verder niet mee bemoeien en hier nog wat informatie uit de laatste notulen die ik hier voor me heb liggen. Er zijn op deze jaarvergadering 28 leden aanwezig en de vicevoorzitter Cor Roele opent de vergadering, de voorzitter is ziek. Gerard van Loon stelde zich niet meer herkiesbaar en in zijn plaats werd Jan Kaptein gekozen die meteen achter de bestuurstafel plaats kon nemen. Nu staat daarachter met een andere pen geschreven: “Om het secretariaat over te nemen.” Dat zou dus betekenen dat Jan Taam, Tom Poes, na 23 jaar stopt als secretaris. Het staat er zo kaal en ik zie nergens een bedankje of zo en dat verbaast me. Want 23 jaar is niet niks, als ik alleen al alle notulen die ik onder ogen gekregen heb bij elkaar zou stoppen had ik een dik boek, om van de vele jaarverslagen die ik niet gezien heb, maar te zwijgen. Zonder al dit vrijwilligerswerk van onze Poes had ik dit verslag niet kunnen maken. Voor de rest geen schokkende zaken in deze notulen want dat er weer eens een discussie is over de A en B klasse en wie er wel en niet kunnen degraderen is niet van levensbelang. Wel kom ik in de voorlaatste regels nog mijn naam tegen want Ton Wels komt met het voorstel Jan Eggers, die toen voorzitter was van de SNB, Snoekstudiegroep Nederland – Belgie, een diapresentatie te laten geven over het vissen op snoek met kunstaas. Mijn geheugen vertelt me dat ik dat in een later stadium wel eens gedaan heb in het Rijper Huis. Dat was het voor nu en misschien komt er nog een vervolg over de laatste 20 jaren aan.
Jan Eggers

 

Het rijke hengelsportverleden de viscolleges,

Amsterdam heeft als hoofdstad altijd de positie ingenomen van hengelsportcapitool. 
Nog steeds heeft deze stad de grootste hengelsportvereniging van Nederland.Dit is echter ook de enige echte HSV die de hoofdstad nu nog telt. Een kleine eeuw geleden huisvestte Amsterdam echter meer dan honderd visclubs. Peter Paul Blommers beschrijft de rijke historie van deze ‘Vischcolleges’.

Al deze visclubs hadden één ding gemeen: ze visten alleen maar op baars. 
En dat deden ze niet zomaar. Er werd in competitie om belangrijke prijzen gevist; en dat met heel veel fanatisme. 
Zowel de ontstaansgeschiedenis,gebruikte attributen als organisatie waren uniek.Hoewel de vischcolleges nog voor de Tweede Wereldoorlog over hun hoogtepunt heen waren, kwam er pas recentelijk een definitief einde aan het baarsvissen in Amsterdam.

Historie

Al op tekeningen van Rembrandt uit de 17e eeuw zien we afbeeldingen van hengelaars in Amsterdam. Ook op
Delftse tegels uit die periode komen we vissers tegen. De Amsterdamse baarsvissers zijn goed te herkennen
aan de korte bamboehengel en de fraaie houten wormenbak die aan de broekriem werd bevestigd.

Karakteristiek was ook het houten vistonnetje dat met een dikke leren riem over de schouder werd gedragen.
In Amsterdam wordt dus al vele eeuwen gevist, maar waarom nu specifiek op baars? De belangrijkste reden was dat er gewoon heel veel baars voorkwam. 

De grachten van Amsterdam, maar ook de polders en kanalen rondom de hoofdstad, zijn van oudsher zeer
rijk aan deze vissoort. Baars was dus een logische vis om op te vissen. En natuurlijk was het dan leuk om met
je buurman of tegen een ander clubje te vissen en te kijken wie er het meest kon vangen. Zo ontwikkelde
zich gaandeweg de wedstrijdvisserij. En dat werd de motor achter de oprichting van de vele vischcolleges
die na 1890 het levenslicht zagen.

Bloeiend verenigingsleven

Het verenigingsleven nam aan het eind van de 19e eeuw een grote vlucht. Voetbalclubs werden opgericht,
maar ook schermverenigingen, kaartclubs, toneelverenigingen en ga zo maar door. De samenleving ontwikkelde
zich verder en er was blijkbaar behoefte aan ontspanning en het met elkaar beleven van die vrije tijd.

De visclubs bleven niet achter. Rond 1890 waren er in Amsterdam al zo’n 25 baarsvisclubs actief. Probleem is
wel dat er bijzonder weinig documentatie over terug is te vinden. We moeten het dus vooral doen met advertenties
over aangekondigde of juist verviste viswedstrijden in Amsterdamse kranten. En vanaf 1898 met
wat berichten in het blad Piscicultura: een tweewekelijks blad voor de beroepsvisserij in het zoete water en
viskwekers, waar echter ook hengelaars hun berichtjes in mochten plaatsen. Later zou dit het eerste hengelsportblad
van Nederland worden.

De eerste vischcolleges

Hoe zag zo’n viscollege eruit? Een college had meestal tussen de tien en twintig leden. Zelfs voor zo’n klein
clubje ging het er heel voornaam aan toe. Er was een bestuur met een voorzitter, secretaris en penningmeester,
maar ook commissarissen en benoemde wedstrijdsurveillanten en banierdragers. Wekelijks
werd er vergaderd en daarvan de notulen bijgehouden. Elk college had een eigen verenigingsembleem (bijvoorbeeld
een vismandje of twee gekruiste hengels) dat stond afgebeeld op het vaandel en terugkwam in het insigne. Dat insigne moest elk lid tijdens wedstrijden. op het revers van de jas dragen. Het klein lauwerkransje
van ongeveer drie centimeter groot werd aan een zwart/ rood lintje – de kleuren van Amsterdam – gedragen. Het
clublokaal was steevast een café in de buurt, waar de heren wekelijks samenkwamen onder het genot van
een stevige borrel!

Vaandels en namen

In het café hing het vaak schitterende Verenigingsvaandel, waar kosten noch moeite voor waren gespaard.
Naast het vaandel hing de prijzenkast, waar de behaalde trofeeën van de club in werden tentoongesteld.
Bij grote wedstrijden ging het vaandel – waar dan de belangrijkste prijzen uit de prijzenkast op waren
gespeld – zelfs mee naar het water.

De eerste vischcolleges van Amsterdam hadden prachtige namen die iets zeiden over de verbondenheid van
de leden onderling: ‘VC de Vriendenkring’, ‘Vischcollege De Broederband’ of ‘Door Onderling Vereend’ (DOV). De
naam kon ook te maken hebben met het doel: ‘De Edele Baars’, ‘De Gouden Baars’ of een meer bescheiden ‘De
Hoop’. Andere colleges kozen hun buurt als naam voor de club: ‘de Anjelier’ (Anjeliersstraat), ‘Oostenburg’ en
‘De Koning’ uit de Koningstraat zijn daar voorbeelden van. Het aantal colleges breidt zich na 1900 sterk uit en
groeit tussen 1890 en 1920 naar ver boven de honderd verschillende clubs

Nationale Hengelaars Bond

De groei was vooral te danken aan de in 1901 opgerichte Nationale Hengelaars Bond, die was gevestigd in hartje
Amsterdam. Deze bond bestond uitsluitend uit baarsvissers en organiseerde en coördineerde de onderlinge
wedstrijden. Om de wedstrijden zo interessant en groots mogelijk te maken – een grotere opkomst betekende
hogere inkomsten en mooiere prijzen – spoorde zij hengelaars aan zich te verenigen in colleges en lid te worden van
de bond. Naarmate meer clubs werden opgericht en zich aansloten, nam de prijzentafel ook in betekenis toe. De
aanplakbiljetten op ruiten van winkels en cafés die repten over de te winnen ‘belangrijke huishoudelijke artikelen
(denk aan een primitieve ‘wasmesjien’) of zilveren medailles, waren natuurlijk ook een belangrijke stimulus
om een clubje op te richten en voor het grote succes tegaan. Toch werd de Nationale Hengelaars Bond uiteindelijk
niet veel groter dan 400 leden.

Algemeene Hengelaars Bond

In 1906 werd vervolgens de landelijke Algemeene Hengelaars Bond (AHB, voorganger van de NVVS en het huidige
Sportvisserij Nederland) opgericht die de Nationale meteen inlijfde. De motivatie voor de oprichting van de
Algemeene bleek echter een hele andere te zijn dan het bevorderen van wedstrijdvissen op baars. De AHB wilde
hengelaars verenigen om tegenwicht te bieden aan de  nieuwe, aangekondigde visserijwet die in 1907 van start
moest gaan. Daarin werd de beroepsvisserij sterk bevoordeeld ten opzichte van de sportvissers. Sterker nog: de AHB wilde er zijn voor fatsoenlijke hengelaars – en dat was het wedstrijdvissen in Amsterdam volgens haar zekerniet. Wedstrijdvissers waren voor de AHB synoniem met drankmisbruik en onfatsoen. Dat had natuurlijk zijn
oorsprong in het clublokaal van de baarscolleges: het café. Maar AHB of niet, de wedstrijden bleven en groeiden
zelfs in aantal. Een bond voor de Baarsvissers was er echter niet meer. En die was wel nodig om wedstrijden te kunnen organiseren.

Nog meer bonden

Daarom werd in 1914 een nieuwe Amsterdamse Bond opgericht: De Centrale Collegiale Commissie. Deze bond
organiseerde veel Amsterdamse baarswedstrijden met steeds grotere prijzen. Nu kwam de groei van het aantal colleges pas echt op gang: in 1920 telde de bond zo’n zestig aangesloten clubs. Overigens waren er nog veel meer baars colleges, maar deze weigerden zich aan te sluiten en visten in ‘onderlingen’ tegen elkaar. Zo hoefden
deze colleges geen extra contributieafdracht aan een bond over te maken. Het groeiende contact tussen deze
niet aangesloten clubs resulteerde uiteindelijk toch in de oprichting van een tweede bond van baarsvissers: in 1921
werd de Bond van Vrijstaande Hengelaar opgericht. Het zou tot 1934 duren voor beide Bonden fuseerden in de 
N.C.C.B.V.D.H.: De Nederlandsche Centrale Collegiale Bond van de Hengelsport. Dat klinkt niet als een echt
lekker geslaagde fusie, maar deze bond hield het uiteindelijk toch nog vele jaren vol en organiseerde tal van

baarswedstrijden.

In weer en wind
Die wedstrijden werden tijdens het visseizoen wekelijks of tweewekelijks en in weer en wind gevist. Bijna altijd op
zondag, omdat de zaterdag toen voor iedereen nog een werkdag was. Er werd om half zeven ’s ochtends verzameld
in het café, daar werd koffie (of een borrel) gedronken en geloot wie op welke plek mocht beginnen. Alleen baars
telde mee voor de uitslag. Elke gevangen baars, hoe klein ook, betekende een punt. De winnaar werd het college met
de meeste gevangen baarzen. Extra prijzen waren er ook. De individuele visser met de meeste gevangen baarzen
werd Held van de Dag. Ook voor degene met de meeste pech of de minste baarzen was er een prijs. Die werd, in
onvervalst Amsterdams, de Sjlemiel van de Dag en kreeg ook daarvoor een wat bescheidener medaille! Een extra
prijs was er voor de visser met de grootste baars.

De uitrusting

Naast de hengel en het tuigje waren vier andere attributen onlosmakelijk met de baarscollegevisser verbonden. Om
te beginnen was dat de wormenbak. Dit is niets anders dan een houten kistje waarin de mestpieren werden
de vis in historisch perspectief  vervoerd. Aan de achterkant is de bak voorzien van twee
koperen draagbeugeltjes zodat deze aan de broekriem kon worden gedragen. Zo had de baarsvisser zijn wormen
altijd onder handbereik. Bij deze actieve visserij was er tijdens de wedstrijd immers geen tijd te verliezen.
Naast de wormenbak had een beetje baarsvisser een zogenaamd baarstonnetje. Dit was eigenlijk een emmertje
dat voor de helft werd gevuld met water. Tijdens de wedstrijd werden de gevangen baarsjes daar in bewaard
totdat ze konden worden geteld of gemeten. 

Aan de andere schouder hing, ook aan een leren riem, een rieten vismandje: de baarsmand. Hier gingen de boterhammen, de borrel en een paar glaasjes in. Hollandse vismandjes hebben in tegenstelling tot die in de ons
omringende landen altijd een houten deksel en zijn ter decoratie voorzien van een koperen of zilveren baars.
De tuigenplank is het vierde en laatste gebruiksvoorwerp van de baarsvisser. Daar werd na het vissen het baarstuigje
op gewikkeld zodat het niet in de war kon raken. Ook echt iets typisch Hollands en heel anders vormgegeven
dan de vurenhouten tuigenplankjes uit de rest van Nederland of het buitenland. De mooiste Amsterdamse tuigenplankjes
zijn gemaakt van mahoniehout en, als je hem van de zijkant bekijkt, uitgezaagd in de vorm van een ‘C’ of een
‘S’. Echt Amsterdams vakwerk.

Bloei en renaissance

Gemeten naar het aantal colleges was het baarsvissen in Amsterdam tussen 1915 en 1935 op zijn top. De grootste
wedstrijden werden ook in die periode vervist. Daarna was de impact van de oorlog zeer duidelijk voelbaar. Zo ben ik
in het bezit van een notulenboek van een college uit Amsterdam-Oost, waarin wordt beschreven hoe het ene
na het andere Joodse lid verdween. Na de oorlog lijkt de Bond van Baarsvissers in Amsterdam stuurloos en is men
niet goed bij machte de draad weer op te pakken en wedstrijden te organiseren. De rol van wedstrijdorganisator
werd vervolgens een aantal jaren vanuit Haarlem vervuld door de Haarlemse Hengelaars Bond. Deze bond herbergde ook een paar baarsclubs en manifesteerde zich actief. Begin vijftiger jaren was Amsterdam weer wat beter
georganiseerd en vonden de wedstrijden weer vanuit de  hoofdstad plaats. De Amsterdamse Bond werd omgedoopt
in Bond van Sportvissers en er zat weer structuur in het wedstrijdschema. Zelfs de Eensgezindheidsbeker, een
klassieker uit vroeger tijden, werd van stal gehaald en opnieuw vervist.

Ondergang

Het aantal colleges was toentertijd echter al sterk terug gelopen. In de zestiger jaren waren er nog ongeveer vijftien
over. Het bleek vooral moeilijk om jonge leden te werven voor deze specifieke visserij, zodat het baarsvissen
vergrijsde. Op oude ledenlijsten uit begin jaren ‘70 zien we dat veel leden nog een geboortedatum hadden uit de 19e
eeuw! Later vetrokken veel Amsterdammers naar Lelystad, Purmerend en Almere en kwam er een eind aan de
oude volksbuurten op de Oostelijke Eilanden, in Amsterdam-Oost en de Jordaan. Dit waren van oudsher
echte bolwerken van de Amsterdamse viscolleges. De oudste visclub van Nederland, De Hoop – opgericht in
1894 – stopte er in 2005 mee. Deze club telde toen nog vijf leden die behoorlijk op leeftijd waren, maar die ook nog af
en toe tegen elkaar visten met hetzelfde fanatisme van hun broeders een eeuw eerder. Viscollege de Grondel was
toen al weg en De Edele Baars inmiddels ook opgedoekt. In 2009 stopte het allerlaatste Amsterdamse College, De
Jonge Visscher, er eveneens mee. Deze club uit 1902 was nog in het bezit van de belangrijkste oude rekwisieten
(verenigingsvaandel, prijzenkast) en sloot een tijdperk van 107 jaar clubhistorie af. Daarmee verdween een prachtig
stuk Amsterdamse cultuur.

Zelf op baars vischen

Hoewel de Amsterdamse Vischcolleges verleden tijd zijn, wordt er in de kop van Noord- Holland nog
steeds in competitieverband op baars gevist. De verenigingscultuur is weliswaar verschillend, maar
het vissen nagenoeg hetzelfde. In de buurt van Kolhorn, Schagen of Anna Paulowna en De Rijp kun je het nog
meemaken: een rij van een stuk of twintig baarsvissers langs de kant van een wetering, half in de mist, op
zondagmorgen vroeg. Je waant je dan honderd jaar terug in de tijd van de Amsterdamse Vischcolleges.

Over de auteur

Peter Paul Blommers heeft een eigen hengelsport museum met een unieke collectie materiaal en documentatie
van en over de Amsterdamse Viscolleges. Daarnaast zal hij in 2013 een boek publiceren over de geschiedenis van de
Nederlandse hengelsport

Bron Vissionair 2011 tekst Peter Paul Blommers